613 Geboden

DE 613 GEBODEN
Hier volgt een opgave van de 613 Mitzvot (geboden). Deze lijst is voornamelijk gebaseerd op de opsomming de Rambam heeft samengesteld, maar ook andere bronnen zijn geraadpleegd. De Lijst van Rambam is de meest geaccepteerde, maar niet de enige. De volgorde die in deze lijst wordt gebruikt is niet bepalend.

Voor iedere Mitzvah wordt de Bijbelse basis vermeld. In sommige Bijbel-edities wordt een (iets) afwijkende telling toegepast, in dat geval volgt tussen haakjes het alternatief.

1. GOD

1. Te weten dat God bestaat. Exodus 20:2, Deuteronomium 5:6.
2. Het niet voor mogelijk houden dat er een andere godheid zou bestaan, behalve God. Exodus 20:3.
3. Niet te lasteren, Exodus 22:27(28), de straf hierop is de doodstraf, Leviticus 24:P16.
4. God’s Naam heiligen. Leviticus 22:32.
5. God’s Naam niet ijdel gebruiken, Leviticus 22:32.
6. Te weten dat God één is, een volmaakte eenheid, Deuteronomium 6:5.
7. God lief te hebben, Deuteronomium 6:5.
8. Hem te respecteren, Deuteronomium 6:13., 10:20.
9. God’s Woord niet provoceren, Deuteronomium 6:16.
10. Zijn goedheid volgen en oprecht met Hem gaat, Deuteronomium 28:9.

2. THORA

11. Ouden en wijzen eren, Leviticus 19:32.
12. De Thora bestuderen en onderwijzen, Deuteronomium 6:7.
13. Hen eerbiedigen die Hem kennen, Deuteronomium 10:20.
14. Op geen enkele wijze toevoegen aan de Thora, Deuteronomium 13:1.
15. Geen enkel gebod uit de Thora verwijderen, Deuteronomium 13:1.
16. Ieder persoon dient ene Thora voor zichzelf te schrijven, Deuteronomium 31:19.

3. TEKENEN EN SYMBOLEN.

17. Het mannelijk nageslacht te besnijden, Genesis 17:12, Leviticus 12:3.
18. Tzietziet bevestigen aan de kleding, Numeri 15:38.
19. Het binden van t’fielien op het hoofd, Deuteronomium 6:8.
20. Het binden van t’fielien op de handen Deuteronomium 6:8.
21. Het plaatsen van Mezzoezoth op de deurposten en poorten van de huizen, Deuteronomium 6:9.

4. GEBEDEN EN ZEGENINGEN.

22. Te bidden tot God, Exodus 23:25, Deuteronomium 6:13.
23. Het Sm’aa te lezen, ‘s morgens en ‘s avonds, Deuteronomium 6:7.
24. Na de maaltijd de dankzegging uitspreken, Deuteronomium 8:10.
25. Geen stenen plaatsen om die te aanbidden, Leviticus 26:1.

5. LIEFDE EN BROEDERSCHAP.

26. Allen lief te hebben die ‘in het verbond’ zijn, Leviticus 19:18
27. Er niet dadenloos bij te staan als iemand in levensgevaar is, Leviticus 19:16.
28. Niet iemand benadelen met woorden, Leviticus 25:17.
29. Geen ‘verhalen’ rond te strooien, Leviticus 19:16.
30. Geen haart is het hart te voeden, Leviticus 19:17.
31. Niet wraakzuchtig zijn, Leviticus 19:18.
32. Geen wrok vasthouden, Leviticus 19:18.
33. Geen ander mens te schande maken, Leviticus 19:17.
34. Geen ander vloeken, Leviticus 19:14.
35. Een ander niet tot zonde of slechtheid verleiden, Leviticus 19:14.
36. Een zondaar bestraffen, Leviticus 19:17.
37. Een naaste helpen zijn last te dragen en te helpen ontladen, Exodus 23:5.
38. De naaste helpen waar nodig of wenselijk, Deuteronomium 22:4.
39. Een lastdier dat bezwijkt onder de last niet hulpeloos laten, Deuteronomium 22:4.

6. DE ARMEN EN ONGELUKKIGEN

40. Weduwen en wezen niet verdrukken, Exodus 22:21.
41. Niet het veld kaaloogsten, Leviticus 19:9, 23:22.
42. De randen van het land niet oogsten en wat erop achterblijft laten liggen voor de armen, Leviticus 19:9.
43. Het gevallen graan niet verzamelen, zodat de armen het kunnen nalezen, Leviticus 19:9.
44. De nalezing laten liggen voor de armen, Leviticus 19:9
45. De ‘oloth’, de slechte druiventrossen, niet oogsten, Leviticus 19:10
46. De ‘oloth’, de slechte druiventrossen voor de armen achterlaten, Leviticus 19:10
47. De goede druiventrossen die op de grond vallen, niet opraken, Leviticus 19:10
48. De ‘peret’, losse druiven, achterlaten voor de armen, Leviticus 19:10
49. Een ‘vergeten’ korenschoof niet ophalen, Deuteronomium 24:20
50. De ‘vergeten’ korenschoven achterlaten voor de armen, Deuteronomium 24:19-20
51. Zich niet afkeren van een arm mens maar hem geven wat hij nodig heeft, Deuteronomium 15:7
52. Gaven geven overeenkomstig de eigen mogelijkheden, Deuteronomium 15:11

7. DE BEHANDELING VAN NIET-JODEN.

53. De vreemdeling liefhebben, Deuteronomium 10:19
54. De vreemdeling niet benadelen met woorden, Exodus 22:20
55. De vreemdeling niet bedriegen tijdens het doen van handel, Exodus 22:20
56. Geen huwelijken met niet-joden aangaan, Deuteronomium 7:3
57. Schulden aan vreemdelingen voldoen, Deuteronomium 15:3
58. Leningen aan vreemdelingen belasten met rente, Deuteronomium 23:21

8. HUWELIJK, SCHEIDING EN GEZIN.

59. De ouders eren, Exodus 20:12
60. De ouders niet slaan, Exodus 21:15
61. De ouders niet vloeken, Exodus 21:17
62. De ouders respecteren, Leviticus 19:3
63. Vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen, Genesis 1:28
64. Dochters niet ten huwelijk geven aan een eunuch, Deuteronomium 23:2
65. Een mamzer, een bastaard, niet laten huwen met een jodin, Deuteronomium 23:3
66. Een Ammoniet of Moabiet zal nooit mogen huwen met een jodin, Deuteronomium 23:4
67. Een afstammeling van Ezau niet weigeren in de gemeenschap van Israël, Deuteronomium 23:8-9
68. Een afstammeling van Egypte niet weigeren in de gemeenschap van Israël, Deuteronomium 23:8-9
69. In Israël mogen geen prostituees zijn, en geen ontucht, Deuteronomium 23:18
70. Slechts te huwen door middel van kidoeshien, Deuteronomium 24:1
71. De pas-gehuwde man moet een jaar lang vrij zijn van legerdienst, Deuteronomium 24:5
72. De bruidegom zal vrijgesteld zijn van enige overheidsdienst gedurende een jaar, Deuteronomium 24:5
73. De vrouw behoorlijk voorzien van voedsel, kleding en andere huwelijkse rechten, Exodus 21:10
74. Een vrouw die overspelig is zal worden gestraft zoals bevolen in de Thora, Numeri 5:30
75. Hij die zijn vrouw vals beschuldigt en haar van haar eer berooft, kan niet meer van haar scheiden, Deuteronomium 22:19
76. Een man kan niet van zijn vrouw scheiden als hij haar er vals van beschuldigd heeft onmaagdelijk met hem te zijn gehuwd, Deuteronomium 22:19
77. Echtscheiding kan slechts plaatsvinden door een scheidbrief, Deuteronomium 24:1
78. De vrouw waarvan men gescheiden kan men niet opnieuw huwen indien zij na die scheiding gehuwd was met een andere man, Deuteronomium 24:4
79. Een kinderloze weduwe kan geen andere man huwen dan een broer van haar overleden man, Deuteronomium 25:5
80. Men dient de vrouw van een overleden broer die kinderloos is gebleven, te huwen, Deuteronomium 25:5
81. De kinderloze weduwe kan een broer van haar overleden man vrijstellen van de plicht haar te huwen, Deuteronomium 25:7-9

9. VERBODEN SEKSUELE RELATIES.

82. Niet betrokken raken in intimiteiten met familieleden, zoals kussen, (innig) omhelzen, flirten en dergelijke, die zouden kunnen leiden tot incest, Leviticus 18:6
83. Geen seksueel contact hebben met de eigen moeder, Leviticus 18:7
84. Geen sodomitisch (homofiel) contact hebben met de eigen vader, Leviticus 18:7
85. Geen gemeenschap hebben met de vrouw van vader, Leviticus 18:8
86. Geen gemeenschap met een zuster, Leviticus 18:9
87. Geen gemeenschap hebben met de dochter van vader (van een andere moeder) Leviticus 18:9
88. Geen gemeenschap hebben met de vrouw van een zoon, Leviticus 18:10
89. Geen gemeenschap hebben met een kleindochter, Leviticus 18:10
90. Geen gemeenschap hebben met een dochter. Dit wordt op deze manier niet met zoveel woorden gezegd in de Thora, maar is overduidelijk af te leiden hit de andere geboden.
91. Geen gemeenschap hebben met de zuster van vader, Leviticus 18:12
92. Geen gemeenschap hebben met de zuster van moeder, Leviticus 18:13
93. Geen gemeenschap hebben met de schoonzuster van vader, Leviticus 18:14
94. Geen sodomitisch (homofiel) contact hebben met de broer van vader, Leviticus 18:14
95. Geen gemeenschap hebben met de vrouw van een zoon, Leviticus 18:15
96. Geen gemeenschap hebben met een schoonzuster, Leviticus 18:16
97. Geen gemeenschap hebben met de dochter van een vrouw, Leviticus 18:17
98. Geen gemeenschap hebben met de kleindochter van een vrouw, Leviticus 18:17
99. Geen gemeenschap hebben met de dochter van een dochter van een vrouw, Leviticus 18:17
100. Geen gemeenschap hebben met de zuster van een vrouw, Leviticus 18:18
101. Geen gemeenschap hebben met een vrouw terwijl zij menstrueert, Leviticus 18:19
102. Geen gemeenschap met de vrouw van een ander, Leviticus 18:20
103. Geen seksueel contact hebben met iemand ven gelijk geslacht, Leviticus 18:22
104. Geen gemeenschap als man hebben met een dier, Leviticus 18:23
105. Gene gemeenschap als vrouw hebben met een dier, Leviticus 18:23
106. Niemand castreren, geen mens en geen dier, Leviticus 22:24

10. TIJDEN EN SEIZOENEN.

107. De nieuwe maan dienst geproclameerd te worden als heilig en de maanden en jaren zullen worden vastgesteld door de Hoge Raad, Exodus 12:2
108. Niet reizen op shabbat buiten de grenzen van iemands woonplaats, Exodus 16:29
109. De shabbat heiligen, Exodus 20:8
110. Geen arbeid verrichten op shabbat, Exodus 20:10
111. Te rusten op shabbat, Exodus 23:12, 34:21
112. De feesten te houden, Zoals Pesach, Sukkoth en Shvoe’ot, Exodus 23:14
113. Zich te verheugen tijdens de feesten, Deuteronomium 16:14
114. In het heiligdom verschijnen tijdens de feesten, Deuteronomium 16:16
115. Chametz (zuurdesem) verwijderen voorde Pesach, Exodus 12:15
116. Rusten op de eerste Pesach-dag, Exodus 12:16, Leviticus 23:7
117. Niet werken op de eerste Pesach-dag, Exodus 12:16, Leviticus 23:6-7
118. Rusten op de zevende Pesach-dag, Exodus 12:16, Leviticus 23:8
119. Niet werken op de zevende Pesach-dag, Exodus 12:16, Leviticus 23:8
120. Matzah, ongezuurd brood, eten op de eerste Pesach-avond, Exodus 12:18
121. Ervoor zorgen dat er geen chametz (zuurdesem) in joods bezit is tijdens de Pesach, Exodus 12:19
122. Geen voedsel eten tijdens Pesach dat chametz bevat, Exodus 12:20
123. Geen chametz eten tijdens de Pesach, Exodus 13:3
124. Er mag geen chametz aanwezig zijn in joodse huizen tijdens Pesach, Exodus 13:7
125. Te spreken over de uittocht uit Egypte op de eerste Pesach-avond, Exodus 13:8
126. Geen chametz eten na de middag van de 14de dag van de maand Nissan, Deuteronomium 16:3
127. Negenenveertig dalen tellen van de tijd dat de Omer (de eerste schoven van de gersteoogst) geoogst wordt, Leviticus 23:21
128. Rusten tijdens Shvoe’ot, Leviticus 23:21
129. Geen arbeid verrichten tijdens Shvoe’ot, Leviticus 23:21
130. Rusten tijdens Rosh Hashannah (nieuwjaarsdag), Leviticus 23:24
131. Niet te arbeiden op Rosh Hashannah, Leviticus 23:25
132. Te letten op het geluid van de Shofar op Rosh Hashannah, Numeri 29:1
133. Te vasten op Yom Kippoer, Leviticus 23:27
134. Niet te eten of te drinken op Yom Kippoer, Leviticus 23:29
135. Geen arbeid te verrichten op Yom Kippoer, Leviticus 23:31
136. Te rusten op Yom Kippoer, Leviticus 23:32
137. Te rusten op de eerste dag van Sukkoth, Leviticus 23:35
138. Geen arbeid te doen op de eerste dag van Sukkoth, Leviticus 23:35
139. Te rusten op de achtste dag van Sukkoth, Leviticus 23:36
140. Geen arbeid te doen op de achtste dan van Sukkoth, Leviticus 23:36
141. Op Sukkoth een palmtak en drie andere planten te hebben, Leviticus 23:40
142. In tenten te wonen tijdens Sukkoth, Leviticus 23:42

11. SPIJSWETTEN.

143. Dieren onderscheiden op hun kenmerken waaruit blijkt of zij rein dan wel onrein zijn, Leviticus 11:2
144. Geen onreine dieren eten, Leviticus 11:4
145. Vissen onderscheiden op hun kenmerken waaruit blijkt of zij rein dan wel onrein zijn, Leviticus 11:9
146. Geen onreine vissen eten, Leviticus 11:11
147. Gevogelte onderscheiden op hun kenmerken waaruit blijft of zij rein dan wel onrein zijn, Leviticus 14:11
148. Geen onrein gevogelte eten, Leviticus 11:13
149. Sprinkhanen onderscheiden op hun kenmerken waaruit blijkt of zijn rein dan wel onrein zijn, Leviticus 11:21
150. Wormen die in fruit gevonden worden, niet eten, Leviticus 11:41
151. Geen kruipend gedierte eten, Leviticus 11:41-42
152. Gen insecten eten, Leviticus 11:44
153. Geen wemelend gedierte dat in het water leeft, eten, Leviticus 11:43, 46
154. Geen gevleugelde insecten eten, Deuteronomium 14:19
155. Eet geen vlees van een dier dat verscheurd is, Exodus 22:30
156. Eet geen vlees van een uit zichzelf gestorven dier, Deuteronomium 14:21
157. Het slachten van dieren dient op de door God voorgeschreven wijze te gebeuren, Deuteronomium 12:21
158. Eet geen deel van een nog levend dier, Deuteronomium 12:23
159. Slacht niet een dier en zijn jong op dezelfde dag, Leviticus 22:28
160. Eet geen vogel tegelijk met haar jong, Deuteronomium 22:6
161. Laat de moeder-vogel vrij als haar nest genomen wordt, Deuteronomium 22:6-7
162. Eet niet het vlees van een gestenigde os, Exodus 21:28
163. Kook vlees niet in melk, Exodus 23:19
164. Eet geen vlees samen met melk, Exodus 34:26
165. Eet niet de heup-spier van een dier, Genesis 32:33
166. Het chelev (niervet) mag niet worden gegeten, Leviticus 7:23
167. Eet geen bloed, Leviticus 7:26
168. Bedek het bloed (met aarde) van een dier dat gedood (dus niet geslacht!) is, Leviticus 17:13
169. Eet of drink niet als een veelvraat, Leviticus 19:26, Deuteronomium 21:20

12. ZAKENDOEN.

170. Bedrieg niet tijdens kopen of verkopen, Leviticus 25:14
171. Sluit geen lening af met een Israëliet tegen rente, Leviticus 25:37
172. Niet uitlenen tegen rente, Deuteronomium 23:20
173. Neem op geen enkele wijze deel aan een leen-overeenkomst, niet als borgstelling noch als getuige, noch als schrijver van de overeenkomst, Exodus 22:24
174. Lenen aan een arme is een goede daad, Exodus 22:24
175. Eis niet van de arme dat hij zijn schuld terugbetaald, wanneer het duidelijk is dat hij het niet kan, wacht tot hij het wel heeft, Exodus 22:24
176. Neem geen kookgerei als onderpand, Deuteronomium 24:6
177. Eis geen onderpand door middel van geweld, Deuteronomium 24:10
178. Neem niet het onderpand waar de ander niet zonder kan, Deuteronomium 24:12
179. Breng het onderpand terug naar de eigenaar, Deuteronomium 24:13
180. Neem geen onderpand van een weduwe, Deuteronomium 24:17
181. Meet niet met een ondeugdelijke maat, Leviticus 19:35
182. Maak uzelf er zeker van dat uw maten en gewichten eerlijk zijn, Leviticus 19:36
183. Heb geen oneerlijke maten en gewichten in bezit, Deuteronomium 25:13-14

13. PERSONEEL, DIENAREN EN SLAVEN.

184. Geen loonbetalingen achterhouden en niet te laat betalen, Leviticus 19:13
185. De gehuurde arbeider toestaan te eten van de producten die hij oogst, Deuteronomium 23:25-26
186. De gehuurde arbeider mag niet meer pallen dan hij kan eten, Deuteronomium 23:25
187. De gehuurde arbeider mag niet nemen van hetgeen nog niet geoogst is, Deuteronomium 23:26
188. Men moet de gehuurde arbeider op tijd betalen, Deuteronomium 24:15
189. Handel rechtvaardig met een slaaf, overeenkomstig de op hem van toepassing zijnde wetten, Exodus 21:2-6
190. Men mag een joodse dienaar niet het werk van een slaaf laten doen, Leviticus 25:39
191. Verkoop en joodse dienaar niet als een slaaf, Leviticus 25:42
192. Behandel een dienaar niet wreed, Leviticus 25:43
193. Sta een niet-jood niet toe een door hem gekochte slaaf wreed behandeld, Leviticus 25:53
194. Laat een slaaf, als hij vrij wordt, niet met lege handen gaan, Deuteronomium 15:13
195. Geef gaven aan de slaaf wanneer de periode van zijn dienstbaarheid wordt beëindigd, Deuteronomium 15:14
196. Koop een joodse slavin vrij, Exodus 21:8
197. Verkoop een joodse slavin niet aan een ander, Exodus 21:8
198. Huwelijk een joodse slavin uit, Exodus 21:-9
199. Een Kananietische slaaf zal slaaf blijven, Leviticus 25:46
200. Doe een slaaf geen onrecht, Deuteronomium 23:17
201. Een dorsend dier mag niet worden gemuilband, zodat het gewoon kan eten, Deuteronomium 25:4

14. EDEN, GELOFTEN, EN ZWEREN.

202. Laat het land in het Shabbats-jaar onbewerkt liggen, Exodus 23:11, Leviticus 25:2
203. Zweer niet zonder noodzaak, Exodus 20:7
204. Breek geen eed en zweer niet vals, Leviticus 19:12
205. Een mens heeft te dien wat hij heeft beloofd, Deuteronomium 23:24
206. Wanneer het gaat om het herroepen van een eed, dienst dat te gebeuren met inachtneming van de Thora, Numeri 30:2-17
207. Breek geen eed, Numeri 30:3
208. Zweer alleen waarachtig onder aanroeping van God’s Naam, Deuteronomium 10:20
209. Stel eden, beloofde offers of geloften niet onnodig uit, Deuteronomium 23:22

15. HET SHABBATSJAAR EN HET JUBELJAAR.

210. Laat het land onbewerkt liggen tijdens het shabbatsjaar, Exodus 23:11, Leviticus 25:2
211. Ploeg het land niet tijdens het shabbatsjaar, Exodus 23:11, Leviticus 25:2
212. Stop met alle bewerkings-activiteiten op het land tijdens het shabbatsjaar, Leviticus 25:4
213. Doe geen werk aan bomen tijdens het Shabbatsjaar, Leviticus 25:4
214. Het land mag tijdens het shabbatsjaar niet worden nagelezen zoals dat in andere jaren plaatsvindt, Leviticus 25:5
215. Verzamel geen vruchten in het Shabbatsjaar, zoals dat in andere jaren plaatsvindt, Leviticus 25:5
216. Blaas de Shofar in het shabbatsjaar, Leviticus 25:9
217. Scheldt schulden kwijt in het shabbatsjaar, Deuteronomium 15:2
218. Vraag van niemand een schuld terug te betalen na afloop van het shabbatsjaar, Deuteronomium 15:2
219. Weiger een arme geen lening omdat het shabbatsjaar nadert, Deuteronomium 15:9
220. Verzamel het volk om naar de Thora te luisteren aan het einde van het zevende jaar, Deuteronomium 31:12
221. Tel de jaren van het Jubeljaar, Leviticus 25:8
222. Houdt het Jubeljaar heilig door het land te laten rusten, Leviticus 25:10
223. Bewerk het land niet en ook de bomen niet in het Jubeljaar, Leviticus 25:11
224. Raap de nalezing niet op van hetgeen zelf opkomt in het Jubeljaar, Leviticus 25:11
225. Verzamel in het Jubeljaar het fruit niet zoals in andere jaren, Leviticus 25:24
226. Proclameer verlossing in het Jubeljaar, Leviticus 25:24

16. RECHTBANKEN EN PROCEDURES.

227. Benoem rechters in iedere plaats in Israël, Deuteronomium 16:18
228. Benoem geen rechter die de Thora niet kent, al is hij gedegen opgeleid op andere vakgebieden, Deuteronomium 1:17
229. Regel zaken zoals van koop en verkoop, Leviticus 25:14
230. Regel zaken zoals van aansprakelijkheid en borgstelling, Exodus 22-:9
231. Regel zaken zoals her verlies van goederen en de daarbij behorende aansprakelijkheid, Exodus 22:13-14
232. Regel zaken zoals erfenissen, Numeri 27:8-11
233. Regel zaken zoals schade veroorzaakt door een open put, Exodus 21:33-34
234. Beoordeel schade toegebracht door dieren, Exodus 21:35-36
235. Regel zaken zoals schade toegebracht door onbewaakte dieren, Exodus 22:4
236. Regel zaken zoals schade toegebracht door vuur, Exodus 22:5
237. Regel zaken zoals schade toegebracht door onachtzaamheid, Exodus 22:6-7
238. Regel civiele geschillen, Exodus 22:8
239. Vloek een rechter niet, Exodus 22:27
240. Leg geen valse verklaring af, Exodus 20:13
241. In een halszaan een enkele getuige niet genoeg, Numeri 35:30
242. Hij die het bewijsmateriaal bezit, is verplicht een verklaring af te leggen, Leviticus 5:1
243. De rechtbank mag geen verklaring aanvaarden tegen een naaste of familielid, in halszaken, Deuteronomium 24:16
244. De overtreder kan geen getuigenis afleggen, Exodus 23:1
245. Partijen in een rechtszaak mogen niet gescheiden van elkaar worden gehoord, Exodus 23:1
246. Verhoor de getuigen grondig, Deuteronomium 13:15
247. Doe geen uitspraak op grond van een enkele verklaring, Deuteronomium 19:15
248. Geef een meerderheidsuitspraak als een of meer rechters van de rechtbank verschillen van mening hebben, Exodus 23:2
249. Doe geen uitspraak in halszaken als de meerderheid van de rechtbank slechts uit ene enkele stem bestaat, Exodus 23:2
250. Hij die, in halszaken, eenmaal voor veroordeling gesproken heeft, kan later niet voor vrijspraak pleiten, Exodus 23:2
251. Hij die, in halszaken, eenmaal voor vrijspaak gesproken heeft, kan later niet voor veroordeling pleiten, Exodus 23:2
252. Geef geen ondoordachte uitspraak, Leviticus 19:15
253. Geef een rijke geen voorkeursbehandeling tijdens het proces, Leviticus 19:15
254. Neem geen omkoopgelden aan, Exodus 23:8
255. Wees niet bang voor een woesteling, wanneer hij berecht wordt, Deuteronomium 1:17
256. Wordt op geen enkele manier vals bewogen bij het berechten van een arme, Exodus 23:3, Leviticus 19:15
257. Buig het recht niet in zaken tegen vreemdelingen en wezen, Deuteronomium 24:17
258. Buig het recht niet als een onwetende wordt berecht, Exodus 23:6
259. Bepaal de uitspraak van ene proces niet op grond van persoonlijke meningen, maar slechts op grond van getuigenverklaringen die hebben gezien wat er werkelijk is gebeurd, Exodus 23:7
260. Veroordeel iemand niet voordat hij berecht is, Numeri 35:12
261. Accepteer de uitspraken van de rechtbank, Deuteronomium 17:11
262. Wees niet opstandig tegen de uitspraken van de Rechtbank, Deuteronomium 17:11

17. SCHADE EN VERWONDINGEN.

263. Bouw een borstwering op het dak, Deuteronomium 22:8
264. Laat niets achter, slingeren, dat een verwonding kan veroorzaken, Deuteronomium 22:8
265. Help de opgejaagde, indien nodig ten koste van de opjager, Deuteronomium 25:12
266. Spaar geen opjager, hij moet uitgeschakeld worden voordat hij de opgejaagde kan bereiken, Deuteronomium 25:12

18. BEZITTINGEN EN BEZITSRECHT.

267. Verkoop geen grond in het land Israël als eeuwig bezit, Leviticus 25:23
268. Verander het karakter van het open land niet dat aan de Levieten behoort, verkoop het niet tot een eeuwig bezit, het moet gelost kunnen worden, Leviticus 25:34
269. Huizen binnen de stadsmuur kunnen binnen een jaar gelost worden, Leviticus 25:29
270. Verplaats de grenspalen niet, Deuteronomium 19:14
271. Zweer niet vals in verklaringen aangaande de bezitsrechten van een ander, Leviticus 19:11
272. Ontken niet valselijk het bezit van een ander, Leviticus 19:11
273. Ga nooit in het land Egypte wonen, Deuteronomium 17:16
274. Steek geen persoonlijke bezittingen, Leviticus 19:11
275. Geef terug wat door roof is verkregen, Leviticus 5:23
276. Geef verloren eigendommen terug, Deuteronomium 22:1
277. Doe niet alsof het verlorene niet gezien is, om het niet terug te hoeven geven, Deuteronomium 22:3

19. STRAFRECHT.

278. Doodt geen onschuldige, Exodus 20:13
279. Ontvoer niemand, Exodus 20:13
280. Doe geen geweld of roof, Leviticus 19:13
281. Bedrieg niemand, fraudeer niet, Leviticus 19:13
282. Begeer niets wat van een ander is, Exodus 20:14
283. Wees niet jaloers op het bezit van een ander, Deuteronomium 5:18
284. Geef geen ruimte aan slechte gedachten en neigingen tot het kwaad, Numeri 15:39

20. STRAF EN VERGELDING.

285. De rechtbank kan met onthoofding bestraffen, Exodus 21:20, Leviticus 26:25
286. De rechtbank kan met wurgen bestraffen, Leviticus 20:10
287. De rechtbank kan met het verbranden van een mens bestraffen, Leviticus 20:14
288. De rechtbank kan met steniging bestraffen, Deuteronomium 22:24
289. Een bestrafte zoals hierboven omschreven zal aan een boom gehangen worden, Deuteronomium 21:22
290. Een aan een boom gehangene misdadiger mag ‘s nachts niet blijven hangen, Deuteronomium 21:23
291. Begraaf de geëxecuteerde op de dag van de executie, Deuteronomium 21:23
292. Accepteer geen afkoopsom van een moordenaar, Numeri 35:31
293. Verban degene die per ongeluk iemand gedood heeft, Numeri 35:25
294. Wijs zes vrijsteden aan voor het die per ongeluk iemand gedood hebben, Deuteronomium 19:3
295. Aanvaard geen afkoopsom van een banneling, Numeri 35:32
296. Breek de nek van een koe (of kalf) op de voorgeschreven manier als verzoening voor een per ongeluk gedode als de dader onontdekt blijft, Deuteronomium 21:4
297. Ploeg of zaai niet in het dal waar de koe (het kalf) de nek gebroken werd, Deuteronomium 21:4
298. Veroordeel een dief tot terugbetaling, Exodus 21:16, 37, 22:1
299. Hij die lichamelijke verwonding veroorzaakt, moet schadevergoeding betalen, Exodus 21:18-19
300. Leg een boete van 50 sikkels op aan de verleider van een ongehuwd meisje en hanteer de andere bepalingen voor een dergelijk gebeuren, Exodus 22:15-16
301. De verleider van ene ongehuwd meisje moet met haar huwen, Deuteronomium 22:28-29
302. Hij die een meisje heeft onteerd, zal met haar huwen en kan niet van haar scheiden, Deuteronomium 22:29
303. Leg geen straffen op op shabbat, Exodus 35:3
304. Straf een slecht mens door middel van zweepslagen, Deuteronomium 25:2
305. Overdrijf het aantal zweepslagen niet voor de veroordeelde, Deuteronomium 25:3
306. Spaar de overtreder niet, als het gaat om het opleggen van de straf, Deuteronomium 19:13
307. Doe aan valse getuigen wat zij zouden hebben veroorzaakt aan degene over wie zij zelf vals getuigden, Deuteronomium 19:19
308. Straf niemand die bertrokken was bijeen overtreding zonder zich te kunnen verzetten of om hulp te roepen, Deuteronomium 22:26

21. PROFETIE.

309. Luister naar de woorden van een profeet, voorbehouden dat hij niets afneemt of toevoegt aan de Thora, Deuteronomium 18:15
310. Profeteer niets vals, Deuteronomium 18:20
311. Aarzel niet een vals profeet ter dood te brengen en weest ook niet bang voor die valse profeet, Deuteronomium 18:22

22. AFGODERIJ, AFGODENDIENAARS EN AFGODISCHE PRAKTIJKEN.

312. Maak geen gesneden beeld, doe dat niet zelf en laat het ook niet doen, Exodus 20:4
313. Maak geen beelden, zelfs als zij niet bestemd zijn om te aanbidden, Exodus 20:20
314. Maak geen afgoden, ook niet voor anderen, Exodus 34:17, Leviticus 19:4
315. Gebruik geen enkel voorwerp van afgodenaanbidding, Deuteronomium 7:25
316. Gebruik geen voorwerpen verbonden aan afgoden, afgodenoffers en duistere praktijken, Deuteronomium 7:26
317. Drink geen wijn bestemd voor afgoden, Deuteronomium 32:38
318. Aanbid geen afgoden, op geen enkele manier, Exodus 20:5
319. Buig niet voor een afgod, zelfs niet als het zonder aanbidding is, Exodus 20:5
320. Profeteer niet in de naam van een afgod, Exodus 23:13, Deuteronomium 18:20
321. Schenk geen aandacht aan profetieën die namens een afgod zijn uitgesproken, Deuteronomium 13:4
322. Leidt de kinderen van Israël niet op een weg naar afgoden, Exodus 23:13
323. Moedig een Israëliet niet aan tot afgoderij, Deuteronomium 13:12
324. Vernietig afgoderij en alles wat daarvoor gebruikt wordt, Deuteronomium 12:2-3
325. Heb de afgodendienaar niet lief, Deuteronomium 13:9
326. Houdt niet op de afgodendienaar te haten, Deuteronomium 13:9
327. Redt de afgodendienaar niet van zijn straf, maar wees getuige van zijn executie, Deuteronomium 13:9
328. Hij die verleidt is tot afgoderij zal niet pleiten voor vrijspraak van zijn verleider, Deuteronomium 13:9
329. Degene die verleid is tot afgoderij zal het bewijs dat hij heeft van de verleiding niet achterhouden, Deuteronomium 13:9
330. Zweer niet bij een afgod of bij de dienaren daarvan, en laat ook een ander daar niet bij zweren, Exodus 23:13
331. Trek geen aandacht voor afgoderij, propageer het niet, Leviticus 19:4
332. Neem de gewoonten en inzettingen van afgodendienaars niet over, Leviticus 18:3, 20:23
333. Laat een kind niet door het vuur van Moloch gaan, Leviticus 18:21
334. Laat een tovenaar (of tovenares) niet in leven, Exodus 22:17
335. Beoefen geen ‘oneen’, het waarnemen van tijden en/of seizoenen als goed of slecht, m.a.w. astrologie, sterrenwichelarij, Leviticus 19:26
336. Beoefen geen ‘nachesh’, het handelen gebaseerd op tekenen en voortekenen, inclusief het gebruikmaken van bezweringen, Leviticus 19:26
337. Raadpleeg geen ‘ovoth’(geesten), Leviticus 19:31
338. Raadpleeg geen ‘yid’oniem’, Leviticus 19:31
339. Beoefen geen ‘kiesoef’, het gebruik van magische kruiden, stenen of voorwerpen die de volken gebruiken, Deuteronomium 18:10
340. Beoefen geen ‘kessem’ (een term voor de uitvoering van magische praktijken), Deuteronomium 18:10
341. Beoefen niet de praktijk van een ‘chover’ (het bezweren van slangen en schorpioenen), Deuteronomium 18:10
342. Raadpleeg geen ‘oov’, een geest, Deuteronomium 18:11
343. Zoek geen contact met de ‘metiem’ (doden), Deuteronomium 18:11
344. Raadpleeg geen ‘yid’onie’ (tovernaar, occultist) Deuteronomium 18:11
345. Verwijder niet uw gehele baard, zoals afgodendienaars, Leviticus 19:27
346. Scheer uw hoofd niet rondom af, zoals afgodspriesters doen, Leviticus 19:27
347. Snijdt uzelf niet en maak geen insnijdingen in uw vlees, zoals afgodendienaars dat doen, Leviticus 19:28, Deuteronomium 14:1
348. Tatoeëer niet zoals afgodendienaars dat doen, Leviticus 19:28
349. Scheer geen kale plek op uw hoofd voor de doden, Deuteronomium 14:1
350. Plant geen boom om die te aanbidden, Deuteronomium 16:21
351. Richt geen pilaar op om die te aanbidden, Deuteronomium 16:22
352. Toon geen sympathie voor afgodendienaars, Deuteronomium 7:2
353. Sluit geen verbond met de ‘zeven’ (verzamelnaam voor de Kananietische afgodische volken), Deuteronomium 7:2
354. Sta afgodendienaars niet toe zich in uw land te vestigen, Exodus 23:33
355. Doodt de inwoners van een stad die afgodendienaars zijn gaan dienen en verbrandt de stad, Deuteronomium 13:16-17
356. Herbouw de stad die geslagen is vanwege afgodendienst niet, Deuteronomium 13:16-17
357. Gebruik het bezit van een stad die zich op een dwaalweg (die van afgoderij) bevindt, niet, Deuteronomium 13:18

23. HET BEHEER VAN AKKERLAND EN VEE.

358. Laat verschillende diersoorten niet met elkaar paren, Leviticus 19:19
359. Zaai geen twee soorten zaad op het land, Leviticus 19:19
360. Eet geen fruit van een boom die korter dan drie terug geplant is, Leviticus 19:23
361. De vruchten van een vier-jaar oude boom zijn heilig als een tiende en moeten worden gegeten in Jeruzalem, Leviticus 19:24
362. Zaai geen kruiden in een wijngaard, Deuteronomium 22:9
363. Eet geen oogst van twee tegelijk gezaaide zaden, Deuteronomium 22:9
364. Zet twee dieren van verschillende soort onder hetzelfde juk, Deuteronomium 22:10

24. KLEDING.

365. Een man zal geen vrouwenkleding dragen, Deuteronomium 22:5
366. Een vrouw zal geen mannen kleding dragen, Deuteronomium 22:5
367. Draag geen kleding die geweven zijn van wol en linnen samen, Deuteronomium 22:11

25. DE EERSTGEBORENE.

368. Los de mannelijke eerstgeborene, Exodus 13:13, 34:20, Numeri 18:15
369. Los de eerstgeborene van een ezel, Exodus 13:13, 34:20
370. Indien een eerstgeborene van een ezel niet gelost is, breek het de nek, Exodus 13:13, 34:20
371. De eerstgeborene van een rein dier zal niet worden gelost, Numeri 18:17

26. PRIESTERS EN LEVIETEN.

372. De priesters moeten priesterlijke kleding dragen tijdens hun dienst, Exodus 28:2
373. Het kleed van de Hogepriester zal niet gescheurd worden, Exodus 28:32
374. De priesters mogen niet op ieder moment het Heiligdom binnengaan, m.a.w. alleen tijdens hun dienst, Leviticus 16:2
375. De priester zal zich niet verontreinigen met de doden die niet tot zijn naaste familie behoren, Leviticus 21:1-3
376. Priester mogen de begrafenis van hun naaste familie bijwonen en rouwen zoals ieder ander, Leviticus 21:3
377. Een priester die gereinigd van zijn verontreiniging door de doden, zal pas na zonsondergang van die dag weer mogen dienen in het Heiligdom, Leviticus 21:6
378. Een priester zal niet huwen met een gescheiden vrouw, Leviticus 21:7
379. Een priester zal niet huwen met ene prostituee (ene ontuchtige), Leviticus 21:7
380. Een priester zal niet huwen met een onteerde vrouw, Leviticus 21:7
381. Eer een priester en geef hem respect ten aanzien van alle dingen die heilig zijn, Leviticus 21:8
382. De Hogepriester zal zich niet verontreinigen met de doden, ook niet als het familie is, Leviticus 21:11
383. De Hogepriester zal niet onder een dak zijn met een dode, Leviticus 21:11
384. Een Hogepriester zal slechts met een maagdelijke vrouw huwen, Leviticus 21:13
385. Een Hogepriester zal niet huwen met een weduwe, Leviticus 21:14
386. Een Hogepriester zal geen gemeenschap hebben met een weduwe, ook niet zonder huwelijk, hij zou haar onteren, Leviticus 21:15
387. Een priester met een (tijdelijke) kwaal, zal niet dienen in het Heiligdom, Leviticus 21:17
388. Iemand met een ziekte zal niet dienen in het Heiligdom, Leviticus 21:17
389. Iemand met een ziekte zal het Heiligdom mogen ingaan, maar niet verder dan het altaar, Leviticus 21:23
390. Een priester die onrein is mag niet dienen in het Heiligdom, Leviticus 22:2-3
391. Zend de onreine weg uit de plaats van de Shechina, dat is: het Heiligdom, Numeri 5:2
392. Een priester die onrein is zal de plaats van de Shechina niet binnengaan, Numeri 5:2-3
393. De priesters zullen Israël zegenen, Numeri 6:23
394. Houdt een deel van het deeg apart voor de priesters, Numeri 15:20
395. Levieten mogen de priestertaken niet uitvoeren en de priesters niet de taken van de levieten, Numeri 18:3
396. Hij die niet een afstammeling van Aaron in de mannelijke lijn, mag niet dienen in het Heiligdom, Numeri 18:4-7
397. Levieten mogen dienen in het Heiligdom, Numeri 18:23
398. Geef de Levieten steden om in te wonen, deze steden moeten ook vrijsteden zijn, Numeri 35:2
399. De Levieten mogen geen land bezitten in Israël, Deuteronomium 18:1
400. Niemand van de stam van Levi zal een deel van de oorlogsbuit (na de verovering van het Beloofde Land) aannemen, Deuteronomium 18:1
401. De priesters zullen in afdelingen, groepen, dienen in het Heiligdom, maar op hoogtijdagen zullen zij allen samen dienen, Deuteronomium 18:6-8

27. OFFERS, TIENDEN EN HEFFINGEN.

402. Een onbesnedene zal niet van de offers eten en hetzelfde in van kracht voor alle andere heilige zaken, Exodus 12:44-45, Leviticus 22:10
403. Verander de procedure van het scheiden van offers en tienden niet, het eerst de eerstelingen, dan de offers, dan de eerste tienden en tot slot de laatste tienden, Exodus 22:28
404. Geef een halve sikkel ieder jaar voor de bekostiging van de openbare offers, Exodus 30:13
405. Een priester die onrein is zal niet eten van de offers, Leviticus 22:3-4
406. Hij die geen priester is, of de vrouw of een ongehuwde dochter van een priester, zal niet eten van het offer, Leviticus 22:10
407. Hij die bij een priester verblijft, of zijn gehuurde dienaar, zal niet eten van het offer, Leviticus 22:10
408. Eet niet van het ‘tevel’, een nog niet afgescheiden deel van offers en/of tienden, Leviticus 22:15
409. Houdt tienden van de opbrengst apart voor de Levieten, Leviticus 27:30, Numeri 18:24
410. De tienden van het vee mogen niet worden verkocht, Leviticus 27:32-33
411. De Levieten moeten een diende van de tienden die zijn van Israël ontvangen hebben, (de tienden van de offers) en dat aan de priesters geven, Numeri 18:26aprt houden
412. Een de ‘tweede tiende’ van het graan niet buiten Jeruzalem, Deuteronomium 12:17
413. Geen tienden van het vee, Leviticus 27:32
414. Eet de ‘tweede tiende’ van de wijnstok niet buiten Jeruzalem, Deuteronomium 12:17
415. Eet de ‘tweede tiende’ van de olie niet buiten Jeruzalem, Deuteronomium 12:17
416. Laat de Levieten niet in steek, maar geef hen wat hen toekomt zodat zij zich daarin verheugen bij iedere hoogtijdag, Deuteronomium 12:19
417. Zet de ‘tweede tiende’ apart in het eerste, het vierde en het vijfde jaar van de shabbatsjaarcyclus om te worden gegeten door de eigenaar in Jeruzalem, Deuteronomium 14:22
418. Zet de tweede tiende’ in het derde en zesde jaar van de shabbatsjaar-cyclus apart voor de armen, Deuteronomium 14:28-29
419. Geef de priesters het hen toekomende deel van het vee, Deuteronomium 18:3
420. Geeft aan de priesters het eerste de eerste wol, Deuteronomium 18:4
421. Houdt het ‘grote offer’ (dat is: een klein portie graan) apart voor de priesters, Deuteronomium 18:4
422. Overdrijf niet met de voortgang van de ‘tweede tiende’ inzake voedsel en drinken, Deuteronomium 26:14
423. Eet de ‘tweede tiende’ niet, ook niet in Jeruzalem, in een conditie van onreinheid, Deuteronomium 26:14
424. Eet de ‘tweede tiende’ niet wanneer u rouwende bent, Deuteronomium 26:14
425. Proclameer het moment dat de ‘tweede tiende’ naar het Heiligdom wordt gebracht, Deuteronomium 26:13

28. DE TEMPEL, HET HEILIGDOM EN HEILIGE VOORWERPEN.

426. Een altaar mag niet gebouwd worden met gehouwen stenen, Exodus 20:22
427. Ga niet naar het altaar via traptreden, Exodus 20:23
428. Bouw een altaar, Exodus 25:8
429. Haal de handvatten van het Ark niet weg, Exodus 25:15
430. Plaats het toonbrood en het wierrook iedere shabbat voor de Heer, Exodus 25:30
431. Ontsteek de lichten in het Heiligdom, Exodus 27:21
432. De borstplaat zal niet losgemaakt worden van de ephod, Exodus 28:28
433. Offer tweemaal daags wierrook, Exodus 30:7
434. Breng geen vreemde wierrook of enig offer op het gouden altaar, Exodus 30:9
435. De priester moeten hun handen en voeten wassen bij iedere dienst voor het altaar, Exodus 30:19
436. Bereidt de zalfolie en zalf de priesters en koningen daarmee, Exodus 30:31
437. De heilige zalfolie mag niet voor iedereen gebruikt worden, Exodus 30:32-33
438. Een vreemdeling mag niet met de heilige zalfolie worden gezalfd, Exodus 30:32
439. Maak geen namaak- wierrook, Exodus 30:37
440. Hij die bij vergissing onwettig gebruik maakt van heilige voorwerpen, zal de schade vergoeden en een vijfde daaraan toevoegen, Leviticus 5:16
441. Haal de as van het altaar weg, Leviticus 6:3
442. Houdt het vuur voor het brandoffer-altaar brandende, Leviticus 6:6
443. Doof het vuur op het altaar niet, Leviticus 6:6
444. Een priester mag het heiligdom niet binnengaan met loshangend haar, Leviticus 10:6
445. De priester zal de hof van het Heiligdom tijdens zijn dienst niet verlaten, Leviticus 10:17
446. De priester zal het heiligdom niet betreden met gescheurde kleding, Leviticus 10:6
447. Een beschonkene zal het heiligdom niet binnen gaan en mag niet rechtspreken, Leviticus 10:9-11
448. Respecteer het heiligdom, Leviticus 19:30
449. Als de Ark gedragen wordt, moet dat op de schouders, Numeri 7:9
450. Houdt de tweede Pasen, Numeri 9:11
451. Eet het vlees van het Paaslam met ongezuurd brood en bittere kruiden, Numeri 9:11
452. Laat geen vlees van het Paaslam over van de tweede Pasen tot de volgende morgen, Numeri 9:12
453. Breek geen bot van het Paaslam, Numeri 9:12
454. Blaas de trompet bij het offeren en in tijden van ellende, Numeri 10:9-10
455. Waak voortdurend over de heiligheid van het heiligdom, Numeri 18:2
456. Laat het heiligdom nooit onbewaakt, Numeri 18:5
457. Een offer moet worden gebracht door hem die, bij vergissing, een overtreding heeft begaan tegen heilige dingen, of geroofd, of gemeenschap heeft gehad met een ondertrouwde vrouw, vals gezworen heeft. (Dit offer wordt een schuld-offer genoemd).
458. Vernietig niets van het heiligdom of uit de studie-huizen of enig del van heilige geschriften, Deuteronomium 12:2-4

29. OFFERS EN OFFERANDEN.

459. Heilig de eerstgeborene van de reine dieren en offer die, Exodus 13:2, Deuteronomium 15:19
460. Slacht het Paaslam, Exodus 12:6
461. Eet het vlees van het Paasoffer op de avond van de vijftiende Nissan, Exodus 12:8
462. Eet het vlees van het Paaslam niet rauw in water gekookt, Exodus 12:9
463. Laat geen deel van het Paas-offer over tot de volgende morgen, Exodus 12:10
464. Geef het vlees van het Paaslam niet aan een afgevallen Israëliet, Exodus 12:43
465. Geef het vlees van het Paaslam niet aan de vreemdeling doe onder u woont, Exodus 12:45
466. Neem geen vlees van het Paaslam uit de plaats van bijeenkomst mee, Exodus 12:46
467. Breek geen enkele bot van het Paaslam, Exodus 12:46
468. Een onbesnedene mag niet eten van het Paaslam, Exodus 12:48
469. Het Paaslam mag niet worden geslacht als er ‘chametz’ in huis is, Exodus 23:18, 24:25
470. Houdt niets achter van de restanten van het Paasoffer, om te worden verbrand, Exodus 23:18, 24:25
471. Ga op een hoogtijdag naar het heiligdom, maar niet zonder offer, Exodus 23:15
472. Breng de eerstelingen naar het heiligdom, Exodus 23:19
473. Het vlees van het zond-offer en het schuldoffer moet opgegeten worden, Exodus 29:33
474. Hij die niet tot het huis van Aaron behoort, mag niet eten van het vlees van de heilige offers, Exodus 29:33
475. Houdt u aan de procedures van het brandoffer, Leviticus 1:3
476. Houdt u aan de procedures van het meel-offer, Leviticus, 2:1
477. Doe geen gist of honing bij een offer, Leviticus 2:11
478. Ieder offer zal gezouten worden, Leviticus 2:13
479. Offer niets dat ongezouten is, Leviticus 2:13
480. De Hoge Raad zal een offer brengen in geval van een rechterlijke dwaling, Leviticus 4:13
481. Indien iemand bij vergissing gezondigd heeft zal hij een zond-offer brengen, Leviticus 4:27-28
482. De offers dienen in overeenstemming te zij met de financiële mogelijkheden van hem die offert, Leviticus 5:7
483. Snijdt het hoofd van een vogel niet geheel af indien dit een zond-offer is, Leviticus 5:8
484. Voeg geen olie toe als een zond-offer uit meel bestaat, Leviticus 5:11
485. Voeg geen wierrook toe aan een zond-offer als dat uit meel bestaat, Leviticus 5:11
486. Indien men twijfelt aan een mogelijke overtreding en niet zeker is of deze wel of niet begaan is, zal men een schuld-offer brengen. Leviticus 5:17-19
487. Het overblijfsel van meel-offers zal worden gegeten, Leviticus 6:9
488. Het overblijfsel van een meel-offer zal geen gist aan worden toegevoegd, Leviticus 6:10
489. De Hogepriester zal dagelijks een meel-offer brengen, Leviticus 6:13
490. Alleen de priesters mogen eten van het meel-offer, Leviticus 6:16
491. Bewaak de procedure van het zond-offer, Leviticus 6:18
492. Eet niet van het zond-offer waarvan het bloed het Heiligdom is binnengebracht en in de richting van het Voorhangsel gesprenkeld is, Leviticus 6:23
493. Bewaak de procedures van het schuld-offer, Leviticus 7:1
494. Bewaak de procedures van het vredeoffer, Leviticus 7:11
495. Verbrand het vlees dat is overgebleven van het heilige offer, Leviticus 7:17
496. Eet niet van offers na de periode dat zij gegeten mogen worden, Leviticus 7:17
497. Een niet van heilige dingen die onrein geworden zijn, Leviticus 7:19
498. Verbrand het vlees van offers die onrein geworden zijn, Leviticus 7:19
499. Iemand die onrein is mag niet eten van heilige dingen, Leviticus 7:19
500. De dochter van een priester die zichzelf ontheiligd heeft zal niet eten van heilige dingen, Leviticus 10:14, 22:12
501. Een vrouw die gebaard heeft zal nadat zij gereinigd is een offer brengen, Leviticus 12:6
502. Een melaatse zal na zijn reiniging een offer brengen, Leviticus 14:10
503. Een man die een vloeiing heeft gehad zal een offer brengen nadat hij gereinigd is, Leviticus 15:13-15
504. Een vrouw die een vloeiing heeft gehad zal een offer brengen nadat zij gereinigd is, Leviticus 15:28-30
505. Houdt u aan Yom Kippoer, de samenkomst voor die dag, aan de offers , de belijdenissen, het wegzenden van de zondebok en alle andere zaken, Leviticus 16:3-34
506. Een voor het offer bestemd dier mag niet buiten het Heiligdom worden geslacht, Leviticus 17:3-4
507. Een het vlees van een offer niet na de periode dat het toegestaan is, Leviticus 19:8
508. Offer slechts onberispelijke dieren, Leviticus 22:20
509. Ieder dier dat geofferd word moet zonder enig gebrek zijn, Leviticus 22:21
510. Breng een voor de offers gesepareerd dier geen schade toe, Leviticus 22:21
511. Slecht geen gebrekkige dieren voor het offer, Leviticus 22:22
512. Verbrand geen delen van gebrekkige dieren op het altaar, Leviticus 22:22
513. Sprenkel geen bloed van gebrekkige dieren op het altaar, Leviticus 22:24
514. Offer geen gebrekige dieren die gegeven worden door niet-Israëlieten, Leviticus 22:25
515. Een dier kan slechts geofferd worden als het ouder is dan 8 dagen, Leviticus 22:27
516. Laat geen vlees van een dankoffer over tot de volgende morgen, Leviticus 22:30
517. Offer het meel-offer van de Omer op de ochtend van de eerste Pesach-dag, samen met een lam, Leviticus 23:10
518. Een geen brood van nieuw graan voordat de Omer van gerst geofferd is op de tweede Pesach-dag, Leviticus 23:14
519. Eet geen geroosterd graan van de nieuwe oogst voor dezelfde tijd, Leviticus 23:14
520. Eet geen nieuwe koren-aren voor die tijd, Leviticus 23:14
521. Breng de Shvu’ot broden samen met de offers met welke zij geofferd worden, Leviticus 23:17-20
522. Offer een extra offer op Pesach, Leviticus 27:2-8
523. Hij die aan God de waarde van een persoon belooft, zal het exacte bedrag betalen, Leviticus 27:2-8
524. Indien een dier geruild wordt voor datgene wat apart gezet is als offer, wordt het heilig, Leviticus 27:10
525. Ruil het beest niet voor een apart gezet offer, Leviticus 27:10
526. Hij die aan God de waarde in geld voor een dier belooft, zal het juiste bedrag betalen, Leviticus 27:11-13
527. Hij die de waarde van een huis belooft zal een bedrag betalen zoals vastgesteld door de priesters, Leviticus 27:11-13
528. Hij die aan God een deel van zijn land belooft, zal het exacte bedrag betalen, Leviticus 27:16-14
529. Verplaats een beloofd dier voor een bepaald offer niet naar een groep voor een ander offer, Leviticus 27:26
530. Het voorrecht te beslissen of een gewijd voorwerp wel of niet aan de Heer behoort, is aan de priesters, Leviticus 27:28
531. Verkoop geen land dat aan de Heer gewijd is, Leviticus 27:28
532. Los geen land dat aan de Heer gewijd is, Leviticus 27:28
533. Belijd uw zonden aan de Heer wanneer u een offer brengt, Numeri 5:6-7
534. Doe geen olijfolie in het meel-offer van een vrouw die verdacht wordt overspel, Numeri 5:15
535. Doe er ook geen wierrook bij, Numeri 5:15
536. Offer de gewone offers dagelijks, Numeri 28:3
537. Offer iedere shabbat een extra offer, Numeri 28:9
538. Offer een extra offer iedere eerste van de maand, Numeri 28:11
539. Breng een extra offer tijdens iedere Shvoe’ot, Numeri 28:26-67
540. Offer een extra offer tijdens iedere Rosh Hashannah, Numeri 29:1-6
541. Offer een extra offer iedere Yom Kippoer, Numeri 29:7-8
542. Offer een extra offer bij iedere Sukkoth, Numeri 29:12-34
543. Offer een extra offer bij iedere Sh’mienie Atzeret, wat zelf een feest is, Numeri 29:35-38
544. Breng alle offers, vrijwillige en verplichte, op de eerste feestdag, Deuteronomium 12:5-6
545. Offer niet anders dan in het Heiligdom, Deuteronomium 12:13
546. Offer alle offers binnen het heiligdom, Deuteronomium 12:14
547. Om vee te lossen dat apart gezet is om te offeren, maar dat enig gebrek heeft, mag door iedereen worden gegeten, Deuteronomium 12:15
548. Eet geen perfecte eersteling buiten Jeruzalem, Deuteronomium 12:17
549. Eet geen vlees van een brandoffer, Deuteronomium 12:17
550. De priesters mogen geen vlees eten van een zond-offer of schuld-offer buiten de hof van het heiligdom, Deuteronomium 12:17
551. Eet geen vlees van offers die een lagere heiligheids-graad hebben voordat het bloed daarvan gesprenkeld is op het altaar, Deuteronomium 12:17
552. De priesters mogen geen eerstelingen eten voordat deze in de hof van het Heiligdom geplaatst is, Deuteronomium 12:17
553. Neem de moeite offers naar het Heiligdom te brengen ook van buiten het land Israël, Deuteronomium 12:26
554. Eet geen vlees van dieren die apart gezet zijn om te offeren maar ongeschikt geworden zijn vanwege een opzettelijk toegebracht gebrek, Deuteronomium 14:3
555. Werk niet met dieren die bestemd zijn om geofferd te worden, Deuteronomium 15:19
556. Dieren die bestemd zijn om geofferd te worden, mogen niet worden geschoren, Deuteronomium 15:19
557. Laat geen deel van een feest-offer dat gebracht is op de 14de Nissan, over na de derde dag, Deuteronomium 16:4
558. Offer geen dier dat een tijdelijk gebrek heeft, Deuteronomium 17:1
559. Breng geen offers die betaald zijn met het loon van de ontucht (prostitutie opbrengsten) of hondengeld (opbrengsten van homofiel gedrag), Deuteronomium 23:19
560. Controleer de eerstelingen die worden gebracht, Deuteronomium 26:5-10

30. RITUELE REINHEID EN ONREINHEID.

561. Het contact met sommige kruipende dieren verontreinigt, Leviticus 11:29-30
562. Voedsel wordt onrein als het in contact gekomen is met onreine dingen, Leviticus 11:34
563. Ieder die het karkas van een gestorven dier aanraakt, wordt onrein, Leviticus 11:39
564. Een kraamvrouw is onrein zoals een menstruerende vrouw dat is, Leviticus 12:2-5
565. Een melaatse is onrein en maakt onrein, Leviticus 13:2-46
566. Een melaatse is in het algemeen onrein, Leviticus 13:45
567. De kleding van een melaatse is onrein en maakt onrein, Leviticus 13:47-47
568. Een melaatse maakt een woning onrein, Leviticus 14:34-46
569. Een man die een vloeiing heeft is onrein, Leviticus 15:1-15
570. Het zaad als gevolg van gemeenschap, maakt onrein, Leviticus 15:16
571. De reiniging van al deze onreinheden zal worden gereinigd door te wassen met water, Leviticus 15:16
572. Een menstruerende vrouw is onrein en verontreinigd, Leviticus 15:19-24
573. Een vrouw die een vloeiing heeft maakt onrein, Leviticus 15:25-27
574. Een lijk verontreinigd, Numeri 19:11-16
575. Water van scheiding verontreinigt de reine, en reinigt degene die onrein is geworden door contact met een dood lichaam, Numeri 19:19-22
576. Gehoorzaam aan de bepalingen inzake het rode kalf zodat de as daarvan altijd beschikbaar zal zijn, Numeri 19:9

31. MELAATSEN EN MELAATSHEID.

577. Het hoofd mag niet ontdaan worden van haar, Leviticus 13:33
578. De procedure van de reiniging van een melaatse, of het ene man of een vrouw is, vind plaats met cederhout, hysop, scharlaken draad, twee vogels en stromend water, Leviticus 14:1-7
579. Een melaatse dient al zijn haar weg te scheren, Leviticus 14:9
580. Verberg de kenmerken van melaatsheid niet, Deuteronomium 24:8

32. DE KONING.

581. Vloek geen heerser, de Koning is het hoofd van de regering in Israël, Exodus 22:27
582. Benoem een koning, Deuteronomium 17:15
583. Benoem niet iemand die geen Israëliet is, tot koning over Israël, Deuteronomium 17:15
584. De koning zal zich geen overdreven groot aantalpaarden verzamelen, Deuteronomium 17:16
585. De koning zal geen overdreven aantal vrouwen hebben, Deuteronomium 17:17
586. De koning zal geen overdreven hoeveelheden goud of zilver verzamelen, Deuteronomium 17:17
587. De koning zal een voor hem bestemde geschreven Thora-rol hebben, Deuteronomium 17:17

33. NAZAREEËRS.

588. Een Nazareeër zal geen wijn drinken, of iets waarin wijn vermengd is en ook wanneer de wijn of het mengsel bedorven is, mag hij het niet drinken, Numeri 6:3
589. Hij zal geen verse druiven eten, Numeri 6:3
590. Hij zal geen gedroogde druiven eten, Numeri 6:3
591. Hij zal geen druivenpitten eten, Numeri 6:4
592. Hij zal niet de schillen van de druiven eten, Numeri 6:4
593. De Nazareeër mag zijn haar laten groeien, Numeri 6:5
594. De Nazareeër mag zijn haar niet knippen, Numeri 6:5
595. Hij mag het gebouw waarin een dode opgebaard is niet betreden, Numeri 6:6
596. Een Nazareeër mag zichzelf niet verontreinigen met een dode, Numeri 6:7
597. Een Nazareeër moet zich scheren wanneer hij een offer brengt bij de completering van zijn Nazareeër-gelofte en ook binnen die periode als hij zich heeft verontreinigd, Numeri 6:9

34. OORLOGEN.

598. Zij die betrokken zijn bij oorlogvoering zullen niet bang zijn voor hun vijanden en ook niet verlamd worden door paniek tijdens de gevechten, Deuteronomium 3:22, 7:21, 20:3
599. Zelf een speciale priester (om het de soldaten te praten) voor tijdens de oorlog, Deuteronomium 20:2
600. In een toegestane oorlog (te onderscheiden van een verplichte oorlog) moet de procedure worden bewaakt zoals die beschreven is in de Thora, Deuteronomium 20:10
601. Laat niemand in leven die tot de zeven Kananietische volken behoort, Deuteronomium 20:16
602. Roei de zeven Kananietische volken uit uit het land van Israël, Deuteronomium 20:17
603. Breng fruitbomen geen schade toe, Deuteronomium 20:19-20
604. Behandel een vrouw die in de oorlog gevangen genomen is op de manier zoals de Thora die voorschrijft, Deuteronomium 21:10-14
605. Een tijdens de oorlog gevangen genomen vrouw mag niet worden verkocht, Deuteronomium 21:14
606. Verneder een gevangen genomen vrouw niet tot de status van slavin, Deuteronomium 21:14
607. Biedt de Ammonieten en Moabieten geen vrede aan voordat er oorlog is geweest, zij doen hetzelfde met andere naties, Deuteronomium 23:7
608. Degene die onrein is mag het kamp van de levieten niet betreden, Deuteronomium 23:11
609. Wijs een plaats buiten het kamp aan ten behoeve van sanitaire voorzieningen, Deuteronomium 23:14-15
610. Houdt die plaats verzorgd en schoon, Deuteronomium 23:14-15
611. Vergeet niet wat Amalek heeft gedaan, Deuteronomium 25:17
612. Het kwaad dat Amalek aan Israël gedaan heeft mag niet worden vergeten, Deuteronomium 25:19
613. Vernietig het zaad van Amalek, Deuteronomium 25:19

Dit product wordt u aangeboden door ComputerBijbel (http://www.ComputerBijbel.com link niet meer actief)
© ComputerBijbel Alle rechten voorbehouden 20/20