Cursus Hebreeuws

00 Eliezer Ben Yhuda
01 Alfabet
02 Schrijfletters
03 Klinkertekens
04 Zelfstandige Naamwoorden (1) - meervoud
05 Persoonlijke en aanwijzende voornaamwoorden (1)
06 Lidwoord
07 Zelfstandige naamwoorden (2) – Tweevoud, Dualis
08 Werkwoorden (1) – Verleden of voltooide tijd (perfectum)
09 Klokkijken
10 Voegwoord, lettervoorzetsels (1)
11 Werkwoorden (2), Toekomende of Onvoltooide tijd
11 Woordenlijst

12 Rangtelwoorden en Dagen van de week
13 Bijvoeglijk naamwoord (adjectief); woordvolgorde
14 Werkwoorden (3) Deelwoord (particium) gebruikt als Tegenwoordige tijd en Voltooide Tijd
15 Maanden, Joodse kalender
16 Vragen stellen
17 Werkwoorden (4), Gebiedende Wijs (imperatief) en Onbepaalde wijs (infinitief)
18 Jaren
18 Telwoorden
19 Antwoorden geven
20 Werkwoorden (5), Passieve vorm, (nif'al)
21 Geldzaken
21 Woordenlijst

22 Tweede Naamval
23 Werkwoorden (6), Intensieve vorm (pi'el)
23 Woordenlijst

24 Winkelen
25 Derde naamval
26 Werkwoorden (7), Lijdend-intensieve vorm (poe'al)
27 Richting-?
27 Woordenlijst

28 Vierde naamval en zinsbouw
29 Werkwoorden (8), Oorzakelijke vorm, (hif'il)
30 Reizen
30 Woordenlijst

31 Status Constructus
32 Werkwoorden (9), Oorzakelijk lijdend, (hoef'al)
33 Auto
34 Voorzetsels (2)
35 Werkwoorden 10, Reflexieve vorm, (hitpa'el)
36 Hebreeuwse landkaart
37 Voorzetsels (3)
38 Zijn en hebben
39 Conversatie
40 Voorzetsels (4)
40 Woordenlijst

41 Judaïca (1) – Pèsach en Sederavond
42 Kranten
43 Achtervoegsels
44 Omertelling, Lag ba'omer
45 Foto en film
46 Verkleinwoorden
47 Shavoe'ot, Wekenfeest, Pinksterfeest
48 Post
48 Woordenlijst

49 Groot, groter, grootst
50 Judaïca (4) - Torah, de Tien Geboden