Goswin de Boer

Overgenomen van de website Goswin de Boer

Het gonsde de afgelopen weken in de christelijke media. De hel stond ter discussie! En al ben ik niet onder de indruk van de inzichten die werden geëtaleerd, ik ben blij dat zulke belangrijke dogma’s in de openheid bevraagd kunnen worden. De geschiedenis leert dat dat wel eens anders is geweest.

Je kunt bijna niet over de hel praten zonder aandacht te besteden aan de passage van de rijke man en de arme Lazarus. Veel van de algemene voorstelling van de hel wordt hieraan ontleend. Vandaar dat ik die gelijkenis de komende tijd eens flink onder de loep wil nemen. Want ik vraag me af of we deze beruchte woorden van Jezus wel helemaal goed begrepen hebben.

Als we de tekst letterlijk nemen komen we in diverse problemen. Dat heb ik hier en hier al eens eerder laten zien. Alleen al op grond daarvan zouden we de passage als beeldspraak, als een gelijkenis moeten begrijpen. Maar in die artikelen ik heb vrijwel alleen maar laten zien wat de tekst volgens mij niet kan betekenen. Ik heb nog nauwelijks laten zien hoe we het verhaal wel kunnen verstaan. Daar wil ik het nu eens met je over hebben. Je zult zien er nog veel meer redenen zijn om de passage als een gelijkenis te begrijpen.

Elke bijbelstudent weet dat je bij de tekst die je leest enkele vragen moet beantwoorden. De zogenaamde wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe-vragen. Toegepast op onze situatie zou je de vragen zo kunnen formuleren: Wie spreekt er en waarom? Waar spreekt hij en wanneer? Wat zegt hij en hoe zegt hij het? Hiermee kun je in kaart brengen wat we geacht worden al te weten wanneer de beruchte gelijkenis wordt verteld.

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus staat aan het einde van Lukas hoofdstuk 16. Maar voor het waar en wanneer moeten we helemaal terugbladeren naar hoofdstuk 14. Dat hoofdstuk begint met: “En het geschiedde toen Hij op sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen” (Luk. 14:1). Dus daar was Jezus, bij een hoofdman van de Farizeeën thuis, op een sabbat.

Bij deze hoofdman hield Jezus de langste toespraak die van Hem in de bijbel is opgenomen. De Farizeeën hielden Jezus scherp in de gaten, maar Hij hen ook. Hoofdstuk 14 beschrijft hoe Hij het positiespel van de vooraanstaande gasten afkeurde. Een ereplaats zou je gegeven moeten worden, die moest je niet nemen. Ook liet Hij de schare die Hem volgde weten dat het niet makkelijk zou zijn om een discipel van Hem te worden. Maar de aanleiding van de serie gelijkenissen waar ook de rijke man en de arme Lazarus bij hoort vinden we aan het begin van hoofdstuk 15. In het tweede vers van dat hoofdstuk staat: “En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen.” (Luk. 15:2). De verhalen zijn een reactie op dat gemopper.

Jezus vertelde vijf afzonderlijke gelijkenissen. Vier ervan direct gericht tot de Farizeeën en schriftgeleerden, en een tot de discipelen. De eerste vier worden doorgaans als gelijkenis begrepen, maar de vijfde, die van de rijke man en de arme Lazarus, niet. Terwijl alleen het eerste verhaal een gelijkenis wordt genoemd. Bij alle volgende verhalen staat het er niet bij! Toch heeft men er geen moeite mee ook de tweede, derde en vierde als gelijkenis te herkennen. Maar de laatste is anders, vindt men. Is dat ook zo?

Kijk eens goed naar de aanvang van de verhalen. Het eerste verhaal begint met: “En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: […]”. Het tweede verhaal begint met: “of welke vrouw […]”, het derde met “En Hij zeide […]”, het vierde met “Hij zeide ook […]” en de passage van de rijke man en de arme Lazarus begint met: “En er was een rijk man […]”. Het lijkt er op dat de verhalen aan elkaar gekoppeld zijn, als één samenhangende toespraak met een centraal thema. Ook het laatste verhaal. En als de eerste vier gelijkenissen zijn, is de laatste dat toch ook?

De reden dat we moeite hebben de rijke man en de arme Lazarus als gelijkenis te lezen is de hoeveelheid details die Jezus noemde. En bovendien is dit het enige verhaal (en zelfs de enige gelijkenis uit de mond van Jezus) waar een van de figuranten een naam kreeg. Als er namen genoemd worden, is het toch niet algemeen meer? Toch wel, meen ik, ondanks de naam – of misschien juist wel dankzij. Maar daarover later meer.

We hadden al gezien dat het gemopper van de Farizeeën en schriftgeleerden de aanleiding was van Jezus’ toespraak. Let ook eens op hoe de tekst verder gaat:

Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: […] – Luk. 15:1-3

Jezus sprak tot hen, de Farizeeën en schriftgeleerden. Hij begon met de bekende gelijkenis van het verloren schaap. Jezus lichtte de gelijkenis toe met de woorden: “Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.” (Luk. 15:7). De Farizeeën en schriftgeleerden begrepen wel dat zij de rechtvaardige negenennegentig waren. De zondaar die zich bekeert, dat waren dan de zondaars waar Jezus mee omging.

Daarop vertelde Jezus de gelijkenis van de verloren penning, en Hij eindigde met de volgende woorden: “Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.” (Luk. 15:10). Opnieuw verloren en gevonden worden, zonde en bekering. De Farizeeën en schriftgeleerden zagen zichzelf weergegeven als rechtvaardigen die geen bekering nodig hadden. Ze kwamen er goed vanaf, tot dusver.

Maar toen vertelde Jezus het verhaal van de verloren zoon. Het zelfde thema als de voorgaande twee gelijkenissen, maar nu werd de houding van de rechtvaardigen aangeroerd. Twee zoons, de oudste een trouw dienaar, de jongste een wildebras. En ditmaal gaf Jezus geen toelichting, maar de slotwoorden zijn niettemin veelzeggend:

Maar hij [de oudste zoon - GdB] antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon [de jongste zoon - GdB] van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden. – Luk. 15:29-32

Werden de Farizeeërs en schriftgeleerden in de vorige twee gelijkenissen nog rechtvaardigen genoemd, hier toonde Jezus hen afgunstig. Want zij begrepen dondersgoed dat zij de oudste zoon waren uit het verhaal. We beginnen te merken hoe Jezus het gemopper van de Farizeeën verbindt aan een houding van verdienste. Zij hadden rechten opgebouwd door hun trouwe dienst, meenden ze, en daarom keken ze neer op de zondaars.

Maar Jezus was nog lang niet klaar. Hij vertelde nog een verhaal. We zijn nu aan het begin van hoofdstuk 16. Jezus richtte Zich hier tot zijn discipelen, maar wel op zo’n volume dat de Farizeeën en schriftgeleerden het konden horen (vs. 14). Het verhaal begint met “er was een rijk man”, en dan volgt het verhaal van de rijke en zijn rentmeester. De rentmeester zou ontslagen worden, en hij ging onjuist om met de schatten van de rijke om zijn eigen hachje te redden. Ditmaal waren de Farizeeën de onrechtvaardige rentmeester, en dat begrepen ze zeer goed (vs. 14). Jezus verweet hen hier dat zelfs hun vermeende rechtvaardigheid en trouwe dienst in helemaal niet rechtvaardig en trouw was geweest.

Jezus raakte een gevoelige snaar, blijkt uit dat veertiende vers: “Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem.” (Luk. 16:14). Je ziet dat de gelijkenissen alsmaar grimmiger worden. Want hier liet Jezus hen weten dat hun geldzucht ze diskwalificeert als rentmeesters van “het ware goed”. Hoe geweldig ze zichzelf ook vonden, Jezus wist hun te vertellen: “Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.” (Luk. 16:15).

Je kunt je voorstellen hoe de sfeer zal zijn geweest, na deze vier verhalen. Samengeknepen kaken en vuurspuwende ogen, als je het mij vraagt. Jezus verweet de Farizeeën dat ze hooghartig en afgunstig waren en Hij laakte hun geldgierigheid, en pas dan volgt het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus. Welke rijke man zou dat nou zijn?

En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken. Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. – Luk. 16:19-31

Zie je hoe de gelijkenis al anders klinkt als je de setting en de inleiding goed hebt bekeken? Voor de gebruikelijke zienswijze – het idee dat Jezus het hier over de hel zou hebben – wordt vaak maar een klein gedeelte van het verhaal geïnterpreteerd. Dat deel heb ik in de tekst met cursieve letters aangegeven. Met vetgedrukte letters heb ik de details aangegeven die deze gelijkenis zo bijzonder maken. Zoals je ziet is de gelijkenis veel groter dan het cursieve deel, en worden veel van de details juist buiten het schuingeschreven stuk gegeven.

In de komende weken zal ik je laten zien wat ik denk dat deze details betekenen, en welke invloed dat heeft op de betekenis van het verhaal. Maar voordat ik het verklap kun je misschien zelf alvast eens zoeken naar de betekenis van purper en linnen in de bijbel, of hoe vuur en vlammen worden gebruikt, waar de naam Lazarus nog meer voorkomt, en welke bijbelse persoon vijf broers had. Als elk woord in de bijbel belangrijk is, dan zeker deze details. Speur je mee?

Deel 2

Dit is het tweede deel uit de serie over de rijke man en de arme Lazarus. Klik hier voor het eerste deel.

In het vorige artikel zagen we al dat de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus niet op zichzelf staat. Er gaat een aantal gelijkenissen aan vooraf. En al is dit veruit de meest uitgebreide, de voorgaande verhalen zijn daarom niet minder belangrijk. Steeds weer figureerden de zelfde personen: de Farizeeën aan de ene kant, en de zondige scharen aan de andere kant. Is dat nu ook weer zo?

Het is belangrijk om te weten over wie het gaat. Als de Telegraaf een scheldpartij kopt, dan maakt het nogal verschil of de schreeuwlelijk een dronkaard was of de Dalai Lama. Het verhaal is gelijk, maar de persoon in kwestie maakt het bijzonder. Dus de vraag die we ons in dit artikel stellen is: wie was die rijke man? En wie was die Lazarus?

Eén uitleg is dat we inderdaad, net als in de voorgaande gelijkenissen, te maken hebben met de Farizeeërs en de zondige (Joodse) scharen. In de tijd van de vroege kerkvaders werd de passage ook wel zo uitgelegd dat de rijke man de Joodse natie als geheel zou voorstellen en de arme Lazarus de heidenvolkeren. En weer een andere visie is dat Jezus hier de Farizeese lering omtrent de doden bestrijdt door het als een scherts of satire uit te spelen. De kern zou dan zijn dat Lazarus dezelfde persoon zou zijn als in Joh. 11, en dat zijn opstanding geen bekering zou bewerken (of het zou wijzen op de opstanding van Jezus zelf – hoe dan ook, beide opstandingen hebben inderdaad geen bekering van het volk bewerkt).

Al deze lezingen geven een gezondere uitleg van de passage dan de visie dat we hier met een geschiedenis te maken hebben – een doorkijkje in de hel. Maar welke is de juiste? Voor alle drie valt wel wat te zeggen, maar er is nog een identificatie, fascinerender dan deze. Deze wil ik je niet onthouden, maar ik wil je ook de argumenten voor de andere visies laten zien. Laten we de gelijkenis stapvoets doorlopen en zien wat we tegenkomen. Gaandeweg zullen bijna alle details uit het verhaal voorbij komen, en je zult zien op welke manier ze de betekenis van het verhaal bepalen.

[De Statenvertaling begint de passage met: “en er was een zeker rijk mens”. Deze aanhef wordt soms gebruikt als bewijs dat er niet over een groep mensen of een volk gesproken kan worden. Immers, het was een zeker man. Iemand, één persoon. Jezus zou een geschiedenis vertellen, en geen gelijkenis. Dit is een zeer zwakke argumentatie. Want de twee voorgaande gelijkenissen beginnen precies zo, en die worden zonder problemen als gelijkenis herkend. Gelijkenissen waarin groepen mensen figureren. Jezus begint zijn gelijkenissen juist heel vaak op die manier. Als we dit woord willen laten meewegen in de bewijsvoering pleit het juist vóór een gelijkenis, niet tegen.]

Van de rijke man weten we een paar dingen. Hij droeg purper en fijn linnen. Purper wordt vaak aan heerschappij en koningschap gekoppeld (Ri. 8:26, Dan. 5:7). Denk ook aan de passage van Jezus’ lijden: de soldaten deden Hem een doornenkroon op, kleedden Hem in purper en riepen “Gegroet, koning der Joden” (Joh. 19:2,3). Linnen kledij hoorde bij een priester (Ex. 39:27, Lev. 6:10, Lev. 16:3,4). En purper en linnen samen kennen we onder andere van het gewaad van Aaron, de hogepriester (Ex. 28). Priesters hadden, naast de dienst in de tempel, vooral als taak het volk te onderwijzen aangaande de wet (2 Kron. 15:3, Mal. 2:7). De beschrijving “purper en fijn linnen” is dus heel veelzeggend. Het plaatst de rijke man in een Joodse context, en wel die van een onderwijzer met gezag. Of in bijbelse bewoordingen: een koninklijk priester. En ook die term is weer een typisch Joodse aanduiding (Ex. 19:6).

Maar dat is nog niet alles wat we van de rijke man weten. De rijke sprak Abraham aan met vader (Luk. 16:24). En Abraham noemde de rijke man kind (vs. 25). Kind van Abraham was opnieuw een typische manier om een Jood mee aan te duiden (Ps. 105:6, Joh. 8:39). Abraham zei dat de broers van de rijke “Mozes en de profeten” hadden – de Tenach, ons Oude Testament. en ook dat gold slechts voor de Joden in die dagen. Maar er is nog meer. Een eigenschap die we nog niet hebben gebruikt is het gegeven dat de rijke man vijf broers had. Een bijbelse persoon die vijf broers had (bij dezelfde moeder) was Juda. En laat de term Jood nu direct zijn afgeleid van de naam van Juda.

Hoe je het ook benadert, dat de rijke man een Jood voorstelt lijkt me buiten kijf. Dat het gaat om een vooraanstaande Jood, een leider en leraar is ook duidelijk. En gegeven het feit dat ze in de voorgaande vier gelijkenissen ook figureerden, lijkt het me zonneklaar dat hier opnieuw de Farizeeërs worden afgebeeld. Maar enkele aanwijzingen zijn ruimer dan dat. Ze geven de indruk dat het Joodse volk in het algemeen wordt beschreven. Als dat zou kloppen, in welke zin was het volk dan rijk? Als Paulus deze vraag mocht beantwoorden zou hij zeggen:

immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. – Rom. 9:4,5

De beloften aan het volk gaan terug tot aan Abraham. Volken en koningen, het Beloofde Land en het verbond, dit alles werd Abraham al toegezegd. Vandaar dat een Jood ook graag een kind van Abraham genoemd wilde worden. Het Joodse volk was rijk gezegend onder de volkeren.

Wie was Lazarus? In de voorgaande vier gelijkenissen waren het steeds de zondige scharen die tegenover de Farizeeërs werden geplaatst. Maar is dat hier ook weer zo? In het verhaal zijn enkele kenmerken van hem te ontdekken.

Lazarus was een bedelaar. Hij lag voor de poort van de rijke, en hij had zweren. Wij denken bij rijk en arm vaak meteen aan geld, maar we hadden al gezien dat rijkdom veel ruimer opgevat kan worden. Neem nou het verbond. De Joden hadden een bonus-malus regeling afgesproken met God: de wet. Hielden ze zich aan de regels, dan zou het hun voorspoedig gaan. Maar deden ze dat niet, dan zouden ze getroffen worden door allerlei onheil en narigheid (Deut. 28). Narigheid zoals zweren (vs. 27 en 35). De zweren van Lazarus wezen dus op zijn zonde. Dit doet denken aan de scharen. Zij waren Joden, zij leefden onder het verbond, maar ze hielden de wet niet zoals de Farizeeërs. Zij waren zondig, zij hadden zweren.

Maar we lezen ook van Lazarus dat hij voor de poort van de rijke lag. En dat hij verlangde de kruimels van de tafel van de rijke te eten. De beschrijving “de poort van de rijke” doet natuurlijk denken aan Deuteronomium 15:

Wanneer er onder u een arme mocht zijn, een van uw broeders, in een van uw woonplaatsen [SV: in een uwer poorten], in het land, dat de HERE, uw God, u geven zal, dan zult gij uw hart niet verstokken noch uw hand gesloten houden voor uw arme broeder, maar gij zult uw hand wijd voor hem openen en hem met mildheid lenen, voldoende voor wat hem ontbreekt. – Deut. 15:7,8

Maar het doet ook denken aan de oudtestamentische term “de vreemdeling binnen uw poorten”. In de Joodse volksmond wordt een tot het jodendom bekeerde heiden ook vaak een proseliet van de poort genoemd. En de kruimels doen ons natuurlijk meteen denken aan de uitspraak van de Kananese (Syro-Fenicische) vrouw (Mat. 15:21-28 en Mar. 7:24-28). Zij wist zich een heiden, een ‘hond’ zoals de Joden hen destijds aanduidden. Maar ze wist ook dat de honden van de kruimels van de tafel mochten eten. Het lijkt erop dat Lazarus niet meer alleen de Joodse zondaars uitbeeldt. Net zoals de rijke niet meer alleen lijkt te wijzen naar de Farizeeërs.

Laten we met deze gedachten in ons achterhoofd eens kijken naar de naam. Waarom noemde Jezus hem zo? Ik had je als huiswerk opgegeven de naam Lazarus eens op te zoeken. Maar dat was eigenlijk een beetje flauw, want die vind je maar één keer terug in de bijbel, namelijk in de passage over de gestorven Lazarus die door Jezus werd opgewekt (Joh. 11). Dood en opstanding komen overeen, maar meer parallellen zijn er niet. De andere kenmerken van deze Lazarus worden hiermee niet verklaard. Maar een blik in een lexicon geeft ons nog een andere mogelijkheid: de naam Lazarus wordt door de meeste woordenboeken gekoppeld aan de Hebreeuwse naam Elazar of Eliëzer. En die naam vinden we veel vaker in de bijbel. Een van de zonen van Aaron heet Eliëzer. Maar dat is geen heiden. Een Eliëzer die ook nog voldoet aan de beschrijving “vreemdeling binnen de poort” is de slaaf van Abraham, de trouwe dienstknecht die een vrouw voor Izaak moest zoeken. Dezelfde Abraham die in deze gelijkenis ook nog wordt opgevoerd, de voorvader van het Joodse volk die al die beloften, al die rijkdom kreeg.

Abraham (toen nog Abram) en Sara konden lange tijd geen kinderen krijgen, en Abram verzuchtte tegen God: “Here HERE, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn.” (Gen. 15:2). Als er geen erfgenaam zou komen zou Eliëzer al Abram’s rijkdom krijgen! Maar Abram bleef niet kinderloos. Hij kreeg Ismaël bij zijn slavin Hagar. Hiermee was de erfenis in principe niet meer in handen van Eliëzer, maar God besliste anders:

“En Abraham zeide tot God: Och, mocht Ismaël voor uw aangezicht leven! Maar God zeide: Neen, […]” – Gen. 17:18,19a

Had Eliëzer dan alsnog recht op de rijkdom? God vervolgt:

“[…] uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht.” – Gen. 17:19

God zou nog een zoon geven, en zijn nageslacht zou de beloften krijgen die aan Abraham gegeven waren. Dus Eliëzer moest alsnog plaats maken voor een echte erfgenaam. Althans, als Izaak nageslacht kreeg. Lees met deze achtergrond eens welke opdracht Abraham aan Eliëzer gaf:

En Abraham zeide tot zijn knecht, de oudste in zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg toch uw hand onder mijn heup, opdat ik u doe zweren bij de HERE, de God des hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon. Maar gij zult naar mijn land en naar mijn maagschap gaan om een vrouw te nemen voor mijn zoon Isaak. – Gen. 24:2-4

Eliëzer moest een vrouw zoeken voor Izaak. Dat zou betekenen dat zijn aanspraak op de bezittingen welhaast helemaal verkeken zou zijn. Maar hij ging. Hij was trouw aan zijn heer, al kostte het hem alles. Doet dit jou ook denken aan de voorgaande gelijkenis over het rentmeesterschap? De Farizeeërs hadden gefaald in hun beheer. Jezus verweet hen ontrouw. En dan laat Jezus Lazarus opkomen als hun tegenspeler. De proseliet van de poort die wèl trouw was geweest.

[Dat Lazarus de slaaf Eliëzer uitbeeldt is niet mijn eigen vondst, maar dr. Ernest L. Martin presenteerde de gedachtegang al jaren geleden [link]. En hij geeft in zijn artikel aan dat de zienswijze al in de negentiende eeuw werd voorgesteld door ene Geiger.]

Lazarus had zweren, en de honden likten ze. De honden waren de heidenen, hadden we al gezien. Dit lijkt opnieuw te wijzen op de geldzucht van de Farizeeën. Want sommige van de heidenen waren ruimhartige gevers, zoals de hoofdman Cornelius (Hand. 10:1,2). Zij kwamen de ellende van de armen te hulp. De Farizeeën maakten zich er handig van af met woorden als: “het is een offergave” (Mar. 7:10-12, denk ook aan Jak. 2:15,16) en “in het hiernamaals zul je het beter hebben” (vrij naar Luk. 16:25). Ze waren niet vrijgevig, en ze hadden allerlei overleveringen bedacht om hun wangedrag te rechtvaardigen (Mar. 7:13).

Dat we met een gedetailleerde gelijkenis te maken hadden wisten we al. Maar zie je hoe veel rijker de gelijkenis wordt als je de details gaat naspeuren? En dan zijn we we zijn nog niet eens aan het verhaal begonnen! Laten we eens samenvatten wat we tot nu toe hebben gevonden.

De rijke man is een Jood, een man van status, een Farizeeër. Maar hij zou ook wel eens figuur kunnen staan voor het hele joodse volk, zoals in de vroege kerk al werd geopperd. Lazarus is een bedelaar, vol zweren. Een Joodse zondaar. Maar misschien beeldt hij ook wel een niet-Jood uit, de heiden Eliëzer. Dat Jezus de zondige schare verkoos boven de fanatieke wetsdienaars, wisten we zonder deze gelijkenis ook wel. Zou Jezus hier misschien een tipje van de sluier oplichten over de ondergang van het volk van God? Zij die rijk waren onder de natieën zouden hun rijkdom verspelen. God zou zijn bemoeienis met het verbondsvolk opschorten en de heidenen zouden in beeld komen. Jezus had ook al in de gelijkenis over het feestmaal iets dergelijks voorzegd (Luk. 14:15-24) en in het boek Handelingen zien we het gebeuren. Deze gelijkenis lijkt inderdaad ook op deze catastrofe vooruit te wijzen, maar dat zullen we de volgende keer zien.

Deel 3

Dit is het derde deel uit de serie over de rijke man en de arme Lazarus. Klik hier voor het eerste deel.

Na de vorige artikelen zal de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus nooit meer hetzelfde klinken als voorheen. Ook al heeft de traditionele lezing diepe sporen door de kerk getrokken, ze blijkt onhoudbaar bij nadere beschouwing. Er zit zoveel meer betekenis besloten in de woorden van de Heer. We hebben al heel wat verheldering gevonden. En dat terwijl we het verhaal zelf nog maar nauwelijks besproken hebben. Alleen de omtekst en de personages hebben we nog maar bekeken. Het verhaal heeft nog veel meer betekenis te bieden.

Uit verschillende bronnen blijkt dat de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus niet een originele vertelling is. Jezus gebruikte elementen uit de tradities van de Farizeeërs (de Talmud) en hellenistische geschriften die in die tijd circuleerden. De schoot van Abraham vind je nergens in de bijbel, maar wel in de Babylonische Talmud (Talmud Kiddushin 72b, link [PDF; 1,5MB]). De verschillende vertrekken in het dodenrijk vinden we terug in het apocryfe boek II Esdras (in de Nederlandse vertalingen 4 Ezra 4:41, link). Dat er een kant vol kwelling is voor de kwaden is en een kant vol goeds voor de goeden is werd ook al in Jezus’ dagen geleerd (Talmud Erubin 19a, link [PDF; 2,7 MB]- zie ook het boek van Henoch 22:9-13, link). Dat de rechtvaardige doden door engelen gedragen worden vinden we eveneens in de Talmud (Talmud Kethuboth 104a, link [PDF; 2,7 MB]) en dat de doden met elkaar zouden kunnen spreken is daar ook te vinden (Talmud Berachoth, 18b, link [PDF; 1,2 MB]). Ook de grote kloof vinden we in de Joodse commentaren, waar wordt beweerd dat hij maar een handbreed wijd is (Hebraic Literature, translations from the Talmud, Midrashim and Kabbala, link [Google books, pag. 343, tweede alinea]). En zelfs de druppel water op de tong was een bekende uit de tradities van de Joden, volgens John Lightfoot (Horae hebraica et talmudicae, hebrew and talmudic exercitations, link, [Google books, pag. 175, tweede alinea]).

De Romeinse geschiedschrijver Josephus (zelf een Farizeeër) schreef over de tradities van de Farizeeën onder andere het volgende: “Ze geloven dat de ziel onsterfelijk is, dat de mensen onder de aarde beloond en gestraft worden voor de goede en slechte daden die ze tijdens hun leven verricht hebben, …” (Flavius Josephus, de Oude Geschiedenis van de Joden, Boek XVIII, hoofdstuk 3, punt [14]). En elders schreef hij over het dodenrijk onder meer het volgende: “Er is een helling naar dit gewest (de Hades) aan welker poort naar we geloven een aartsengel staat met een leger; door deze poort gaan zij die naar beneden gevoerd worden door de engelen die over de zielen gesteld zijn …(zij) worden naar de rechterzijde geleid …terwijl zij wachten op de rust en het eeuwige leven in de hemel dat volgt op (het verblijf in) dit gewest. Deze plaats noemen wij “de schoot van Abraham”. (Flavius Josephus, Tegen de Grieken).

Dus zoveel is duidelijk: Jezus gebruikt de tradities van de Joodse leiders. Niet om hun leringen te onderschrijven, maar om ze te ondermijnen. Een koekje van eigen deeg, zeg maar. Maar ongeacht het feit dat de toehoorders vertrouwd waren met elementen uit de gelijkenis, Jezus vertelt het verhaal natuurlijk met een reden. We hadden eerder al gezien dat Jezus de houding en omgang van de geestelijke elite ten opzichte van het volk aan de kaak stelde. En we zagen dat Jezus ook dit verhaal aan de rijke religieuze regenten richtte. De arme onderlaag komt ook opnieuw aan bod, ogenschijnlijk zelfs op meer dan één niveau. Maar waarom gaan ze dood in het verhaal? En wat heeft de geleende folklore omtrent het dodenrijk voor betekenis?

Het is opvallend dat er in heel de passage niet over geloof gesproken wordt. Er wordt alleen vermeld dat de rijke rijk is en Lazarus arm. Dat alleen zou al genoeg moeten zijn om te begrijpen dat het hier niet over redding en verloren gaan, hemel en hel kan gaan. Want dat wordt juist beslist op basis van geloof in Jezus Christus. Maar dat heeft velen er niet van weerhouden er wel hemel en hel in te projecteren, en bijgevolg geloof en ongeloof. En dan natuurlijk op zo’n manier dat de rijke als een ongelovige, wereldse hedonist wordt weergegeven en de arme Lazarus als nederige, onderdrukte gelovige. Je ziet het zelfs terug in de vertaling. Kijk maar naar het verschil tussen de Statenvertaling en de NBG:

En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig. – Luk. 16:19 SV

En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. – Luk. 16:19 NBG

De Statenvertaling geeft de meest neutrale weergave. De man was rijk, en genoot daar elke dag van. De NBG heeft ervan gemaakt dat hij iedere dag feestjes gaf, als een decadente aristocraat. Maar dat staat er niet. Er wordt geen oordeel gegeven over de personen en niet van geloof gesproken. Er wordt alleen maar gesuggereerd dat de rijke man de bedelaar niet zo veel te eten gaf, omdat hij “verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel” (vs. 21). Hij verlangde er naar, dus hij kreeg het kennelijk niet – hij had honger. En dat is in strijd met de wet van Mozes, die juist opdraagt de hand niet gesloten te houden voor de arme broeder (Deut. 15:7,8). Hier geeft Jezus wellicht een verwijzing naar de vorige gelijkenis over de onrechtvaardige rentmeester.

Hoe dan ook, de rijke is rijk is en de arme is arm. Daar is op zichzelf niets mis mee. Jezus zei zelf nog: “de armen hebt gij altijd bij u” (Mat. 26:11). Armoede en rijkdom zijn een gegeven, geen graadmeter voor geloof.

Zowel de rijke man als Lazarus sterven in het verhaal. Sterker nog, het verhaal speelt zich voor het grootste gedeelte af na de dood, net als in sommige van de traditionele verhalen waar de Joodse toehoorders mee bekend waren. In de serie over het dodenrijk [link] heb ik al uitvoerig stilgestaan bij de betekenis van de dood in de bijbel. Ik kwam op de slotsom: dood is niet leven. Dus ook niet leven aan de overkant. Wanneer in deze gelijkenis dus van leven na de dood gesproken wordt, moeten we concluderen dat we niet met een letterlijke dood te maken hebben. Jezus vertelt hier geen feiten maar fabels, Farizeese fabels. Maar Hij doet dat om er heel reële waarheden mee te verkondigen. Dit zal de boodschap extra ergerlijk moeten hebben gemaakt voor de religieuze leiders, als een nederlaag op eigen terrein.

Maar goed, dat neemt niet weg dat we te maken hebben met de dood. Een figuurlijke dood weliswaar, maar toch. Nu spreekt de bijbel wel vaker figuurlijk van de dood. Eén hoofdstuk eerder, in de gelijkenis van de verloren zoon, doet Jezus dat ook: “uw broeder hier was dood en is levend geworden” (Luk. 15:32). En elders zegt Jezus: “laat de doden hun doden begraven” (Mat. 8:22). En niet alleen Hij gebruikt de dood in figuurlijke zin. Ook bij Paulus zien we zulk taalgebruik: “dood […] voor de zonde” (Rom. 6:11), “dood […] door uw overtredingen en zonden” (Ef. 2:1) en “Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Ef. 5:14). De Hebreeënschrijver spreekt van dode werken (Heb. 6:1, Heb. 9:14) en Jakobus van dood geloof (Jak. 2:17).

Omdat we al hadden gevonden dat we niet te maken hebben met individuen maar met vertegenwoordigers of zelfs volken is deze tekst van Paulus misschien wel het meest betekenisvol:

Want, indien hun [Israël, GdB] verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? – Rom. 11:15

De bekering van Israël wordt afgebeeld met een levendmaking. Onbekeerd is het volk dus dood. Zoiets zien we ook in de gelijkenis van de verloren zoon: door zijn terugkeer (bekering) was hij “levend geworden”, dus in zijn onbekeerde staat was hij dood.

We weten uit de bijbel (en de geschiedenis) dat de bekering van het Joodse volk nog op zich laat wachten. Dat geldt dan ook voor de geestelijke leiders van het volk. Dat de rijke man dood is kunnen we dus nog wel plaatsen. En wanneer we Lazarus als de zondige Joodse schare zien, is ook zijn dood te begrijpen. Maar hoe zit het dan met die andere visie? Als Lazarus de heidenen uitbeeldt, wat is dan de betekenis van zijn dood? Zijn de volkeren ook allemaal gestorven? Is dan iedereen onbekeerd?

Bij nader inzien roept ook de eerste visie vragen op. Immers, het Joodse volk heeft nooit geloofd in hun Messias. Het is dus niet gestorven, het heeft nog nooit geleefd! Dus de dood hier als bekering of geloof beschouwen levert meer vragen op dan antwoorden. Maar hoe kunnen we de dood dan duiden?

In de serie over het dodenrijk hadden we al gevonden dat het woord achter het dodenrijk het Griekse hades is. En dat woord betekent ‘ongezien’. En wat is er met de Joodse natie gebeurd in de afgelopen tweeduizend jaar? Kort na de komst en hemelvaart van hun Messias is Jeruzalem volledig verwoest. Het land Israël heeft eeuwenlang niet bestaan. Weggevaagd, niet meer te vinden, hades. En als we goed kijken staat er in de tekst dat de arme man stierf, maar de rijke stierf en in het dodenrijk zijn ogen opsloeg (vs. 23). Dus misschien duidt de dood op de ondergang van de Joodse natie.

Tenslotte nog een paar gedachten om ook het overlijden van Lazarus te verstaan. Van de verkiezing tot de verwerping van het volk Israël was heel Gods handelen met de wereld een etnisch gebeuren geweest. God had één volk uitgekozen om de andere volken tot zegen te zijn. Na de aanhoudende hardhorendheid van het volk gooide God het roer om en werd Zijn heilshandelen individueel. Uit alle volken riep Hij mensen tot het Lichaam van Christus. Ook uit het Joodse volk (Rom. 9:24). Kortom, herkomst doet er sindsdien niet meer toe. Zou Jezus misschien ook daarop hebben gewezen? Zou de dood van de heren ook betekenen dat er een nieuw beheer aanstaande was? Dus niet slechts een beeld van de afwijzing en ondergang van het volk, maar van de afsluiting van het voorgaande en de overgang naar iets nieuws.

We hadden al gezien dat de tradities van de Farizeeën leerden dat een rechtvaardige dode door engelen gedragen zou worden. En Jezus gaf deze eer aan Lazarus en niet aan de rijke. Van hem wordt slechts vermeld dat hij werd begraven. Ook de schoot van Abraham werd de rijke niet gegund. Lazarus kreeg voldoening en de rijke man verschrikking. De kwelling en de dorst werd toegezegd aan hen die meenden zich juist voor de zegeningen te kwalificeren. Jezus wijst bij monde van Abraham ook op deze welvaartswissel: “Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn” (Luk. 16:25). “Oh, the irony,” zoals de Engelsen zeggen…

Maar dit decor van tradities uit de Talmud is natuurlijk meer dan alleen vertelkunst. Hoe zal de arme in de schoot van Abraham vertoeven, en wat zijn de kwellingen van de rijke? Deze vragen hebben ook nog eens verschillende antwoorden, afhankelijk van het spoor dat we volgen. In de vorige artikelen werkte ik steeds twee visies verder uit, en dan zal ik ook nu gaan doen. In de rest van dit artikel zal ik proberen het spoor van de vertegenwoordiger-visie uit te werken; de visie dat de religieuze leiders en de zondige schare worden afgebeeld. In het volgende artikel laat ik zien dat het andere spoor, de volkeren-visie, een minstens zo opmerkelijke betekenis krijgt.

Ik heb het al eens meer genoemd, maar de toekomstverwachting van een Jood is niet de hemel. Zij wisten dat eens de Joodse natie een koninklijke en priesterlijke natie zou zijn hier op aarde (Ex. 19:6). Israël aan de kop, en niet aan de staart (Deut. 28:13). Dát was waar ze naar verlangden, en dat was het Koninkrijk waar Jezus over sprak. En Hij zei daarover onder andere: “zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods” (Luk. 6:20). En even later: “Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds.“ (Luk. 6:24). Zie je de overeenkomsten? Ook Jakobus herinnert zijn lezers hier aan: “Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk“ (Jak. 2:5).

Bijna alle gelijkenissen van Jezus hebben betrekking op dit Koninkrijk en op één of andere manier zit er vaak een dreigende ondertoon in voor de vooraanstaande figuren. Neem nu deze woorden: “Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.” (Mat. 8:11,12). Meestal wordt hier hemel en hel in gelezen – net als in de gelijkenis die we nu behandelen – maar kijk nog eens goed: oost en west zijn aardse aanwijzingen! In dit Koninkrijk zal men aanliggen met Abraham. Zou dat de “schoot van Abraham” kunnen zijn? Let op wat ik heb vergedrukt: de kinderen van het Koninkrijk zullen er niet zijn. Net als in deze gelijkenis. Ze meenden er aanspraak op te kunnen maken (kinderen), maar ze mogen er niet in. Zij zullen buitengesloten worden, geschaard onder de volken. Ze hadden willen heersen, maar ze zullen overheerst worden. Oh, wat zullen ze huilen en tandenknarsen van woede en afgunst.

De rijke smacht naar water in het dodenrijk. Water staat in de bijbel vaak symbool voor het Woord van God. We hadden eerder al gezien dat de rijkdom van de rijke man niet slechts duidde op bezit, maar ook (of juist) op de rijkdom van het Woord van God. Zeker de Farizeeën en schriftgeleerden waren als het ware de schatbewaarders (rentmeesters, naar de voorafgaande gelijkenis) van die rijkdom. Maar in het dodenrijk smachtte de rijke man naar water. Eens sprak God tot het volk via de wet en de profeten, en die woorden kenden ze maar al te goed. Maar toen Hét Woord kwam hebben de geleerden niet geluisterd. Hadden ze dat wel gedaan, dan zouden “stromen van levend water” (Joh. 7:38) uit hun binnenste stromen. Maar nu stond de rijke droog. Hij had verzuimd te drinken.

Als de gelijkenis niet van de hel spreekt, wat is dan de vlam waar de rijke onder lijdt? De Joodse omstanders zullen dat moeiteloos hebben begrepen. Ze begrepen wel dat de heren figureerden voor een groep of zelfs een volk. De bekende Oudtestamentische beeldspraak zou hen niet zijn ontgaan. Egypte werd dikwijls voorgesteld als een ijzeroven (Deut. 4:20 | 1 Kon. 8:51 | Jer. 11:4). Dat volk was voor Israël een vurige smeltkroes ter beproeving en loutering gebleken (Jes. 48:10). En straks als het Koninkrijk is aangebroken zullen de rollen worden omgekeerd, wisten ze. Dan zullen de andere landen met vuur te maken krijgen. In het boek Amos vind je een typisch voorbeeld van oordelen met de voorstelling van vuur (Amos 1:3-14). Damascus, Gaza, Tyrus, Edom en Ammon zullen allemaal te maken krijgen met een vurig oordeel. Soms in de vorm van vernietiging, soms van ballingschap. En ook in het boek Obadja vinden we dergelijk spraakgebruik, waarbij het vuur zelfs wordt verklaard:

Het huis van Jakob zal het vuur zijn, het huis van Jozef de vlam, en het huis van Esau de stoppels: zij zullen hen in brand steken en verteren, en van het huis van Esau zal niemand ontkomen; want de HERE heeft het gesproken. – Ob. 1:18

Dus zoals Egypte eens de smeltkroes was, zo zal Israël eens een vuur zijn voor de andere volken. En de rijke man was buitengeworpen. Hij zou niet bij de vlam horen maar bij de stoppels.

De gelijkenis lezen met de rijke man als de religieuze leiders en de arme Lazarus als de zondige schare levert veel verheldering op. Het sluit ook aardig aan bij andere gelijkenissen en voorzeggingen van Jezus. Maar zoals je merkt spoort niet alles even netjes, en neigt de verklaring soms als vanzelf naar de volken-visie. Ik heb ook niet alle elementen van de gelijkenis even goed in deze visie kunnen verwerken. De pijniging begrijpen als het geween en tandengeknars geeft maar een deel van de rijkdom weer die in het Griekse woord voor pijniging zit besloten. En de Grote Kloof kan ik in deze visie eigenlijk helemaal niet kwijt – of je moet het buitengeworpen worden erin willen zien. Ik heb de dorst verklaard met de hardhorendheid van de geestelijke leiders in die dagen. Terwijl hij juist naar water smacht in het dodenrijk, in het nieuwe beheer. In de eeuwen van de ondergang van het volk, wanneer we de vertegenwoordiger-visie volgen. Het vuur met een volk vertalen brengt ook als vanzelf de andere visie naar voren.

Kortom, we zijn al heel wat wijzer geworden, maar er valt nog wel wat te verfijnen. Dat gaan we in het volgende artikel doen, wanneer we de gelijkenis op de volken toepassen. Dan zal blijken dat ook aan deze elementen betekenis kan worden gegeven. En de bovengenoemde bezwaren vallen grotendeels weg. Het zal je dan ook niet verbazen dat ik de volken-visie verkies.

Deel 4

Dit is het laatste deel uit de serie over de rijke man en de arme Lazarus. Klik hier voor het eerste deel.

In dit laatste deel van de serie wil ik de meest opmerkelijke uitleg van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus verder uitwerken. De uitleg die de gelijkenis verklaart als een nationale (of etnische) profetie, en die in Lazarus de heidenen ziet afgebeeld. Veel is al in de vorige artikelen aan bod gekomen, dus ik kan in dit laatste deel wat grotere passen nemen.

Laten we eerst even kort doornemen wat we al weten. De rijke man was een beeld van het volk Israël. Het purper en het linnen wees naar het koninklijke priesterschap wat aan dit volk was toegezegd. Om de identiteit van de rijke zeker te stellen liet Jezus de rijke man Abraham “vader” noemen, en Abraham antwoorden met “zoon”. En via de vijf broers wees het verhaal specifiek naar Juda, één van de twaalf stamvaders. De naam waar de term ‘Jood’ aan is ontleend.

Lazarus was een plaatje van de heidenvolken, langs Eliëzer, de knecht van Abraham. Omdat zijn meester kinderloos bleef had hij aanspraak op de bezittingen van Abraham (Gen. 15:2). Maar God voorzag in een zoon, en de rijkdom van Abraham zou overgaan op Izaäk en zijn nageslacht. Eliëzer moest op zoek gaan voor een vrouw voor Izaäk, de jongen die alles zou krijgen wat hem eens toekwam. En Eliëzer ging. Hij vond een vrouw, en verklaarde aan haar broer:

En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit. – Gen. 24:36

Alles wat eens van hem had kunnen zijn was nu rechtens van de zoon van Abraham. Maar alle teleurstelling en het eigen verlies ten spijt, Eliëzer ging. Eens was hij rijk. Nu had hij niets meer. Hij was een bedelaar…

Deze gelijkenis is de enige uit de mond van Jezus waar iemand bij de naam genoemd wordt. Dat is natuurlijk niet toevallig. Die naam moest de gedachten van de toehoorders prikkelen. Zij kenden het Oude Testament (de Tenach) tot in de puntjes, zeker de Farizeeën en schriftgeleerden. De naam Lazarus en Abraham in één verhaal zal ongetwijfeld de gedachten op Eliëzer hebben gericht. De heiden die gehoorzaam bleef aan zijn heer, koste wat het kost.

Deze trouw vormt een brug met de voorgaande gelijkenis (net als de geweigerde kruimels van de tafel). Jezus had de Farizeeën en schriftgeleerden, de zelfverkozen helden van de deugd, gewezen op hun wanbeheer. Zij waren de onrechtvaardige rentmeester van het voorgaande verhaal. Jezus had het daarbij kunnen laten. Maar Hij vertelt nog een gelijkenis om te laten zien hoe het ook kan. Hij brengt Eliëzer naar voren, die zijn heer wèl goed had gediend – een heiden notabene! Wat een pijnlijke contrast – en wat een illustratie van ware trouw. Deze trouw zou niet onbeloond blijven, zo blijkt uit het vervolg van de gelijkenis.

De rijkdom van Abraham was niet slechts bezit. God had Abraham rijk gezegend met goederen, maar Hij had hem ook een land beloofd. Niet meer leven als een nomade, maar vaste grond onder de voeten, een thuis. Ook dat zou Eliëzer hebben gekregen, als zijn heer kinderloos gestorven was. Nu, nadat Izaäk geboren was, zou hij dat allemaal moeten missen. Eliëzer was als het ware uit het land gezet, buitengeworpen. Eens de rechtmatige grondbezitter van land over de Jordaan, maar nu een bijwoner, een vreemdeling in de poort.

Jezus laat zien dat dat eens zal worden omgekeerd. Net als in vele andere gelijkenissen die Hij heeft gegeven. Want elders lezen we ook dat dat de mensen die meenden te mogen binnengaan zullen worden geweigerd (Mat. 7:21-23). Dat het Koninkrijk vele mensen zou verwelkomen, maar slechts weinig van het uitverkorenen volk (Mat. 22:14). Dat zij van een afstand zullen moeten toezien hoe heidenen hun plaatsen innemen (Mat. 21:43). Dat niet de genodigden, maar de lammen en blinden, de mensen van de straat, de bedelaars zouden mogen komen (Luk. 14:21-24). Dat de heidenvolken van oost en west zullen komen en ingaan, maar dat de kinderen van het Koninkrijk zullen worden buitengeworpen (Mat. 8:11,12). Zoals eens Eliëzer werd buitengeworpen. En zoals de meerderheid van het uitverkoren volk al eens eerder bij de grens werd geweerd. Je weet wel, omdat ze geen gehoor gaven aan het getuigenis van Jozua (Num. 14:22-31).

En als vanzelf komt de kloof uit de gelijkenis in beeld. Want met de landkaart van Israël voor ogen springt één kloof als vanzelf in het oog: de Jordaanvallei. Iedereen die wel eens in Israël is geweest heeft de Jordaan kunnen zien. Het is niet een rivier zoals wij die kennen: stromend water met een wal. De Jordaan stroomt door een diepe vallei, een breuklijn (de Engelsen noemen het zelfs “the Jordan rift valley”). Geen walkant maar een bergwand, een afgrond, een kloof.

De Jordaan is in de bijbel onlosmakelijk verbonden met de belofte. Immers, vroeger, onder leiding van Jozua, kon het volk het land pas innemen nadat het de Jordaan had overgestoken. De oversteek is dan ook een beeld geworden van de verlossing van het volk. Het einde van de woestijnperiode, het bereiken van de bestemming. De doortocht kwam symbool te staan voor het ingaan in het Koninkrijk (zie Heb. 3 en 4). Straks, onder leiding van de ware Jozua: Jezus de Messias.

Maar de aandacht wordt niet alleen op de Jordaan gericht omdat we de kloof geografisch benaderen. Er zit nog een aanwijzing in de tekst verstopt, en wel in de grondtekst.

er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen – Luk. 16:26

Het Griekse woord achter ‘gaan’ is diabenai (Strong 1224). Het komt nog twee keer voor in het Nieuwe Testament, en beide keren spreekt het van een oversteek over water (Hand. 16:9 | Heb. 11:29). Het woord achter ‘komen’ is diaperosin (Strong 1276). Het komt nog vijf keer voor in de bijbel en ook dat woord spreekt altijd van komen over water (Mat. 9:1 | Mat. 14:34 | Mar. 5:21 | Mar. 6:53 | Hand. 21:1). Dit stemt natuurlijk overeen met de Joodse (en heidense) overleveringen dat er in het dodenrijk een afscheiding met water is (Henoch 22:8, link). Jezus gebruikte immers met opzet de bestaande tradities in zijn gelijkenis. Maar verplaats je eens in de positie van de toehoorders. Zij begrepen al dat de vertelling onder de oppervlakte wees op Abraham en Eliëzer. Op de rijkdom en de beloften – dus ook op dé belofte van het Koninkrijk. Het Koninkrijk dat onlosmakelijk met de Jordaan was verbonden. En dan gebruikt Jezus woorden die te maken hebben met een oversteek.

Zouden de luisteraars Jezus verstaan hebben? Zouden ze begrepen hebben dat Hij sprak van de oversteek over de Jordaan, en daarmee van het komende Koninkrijk? Zoals bijna alle woorden van Jezus spraken van het komende Koninkrijk? Ik denk het wel – deels. Het ging niet over hemel of hel, maar over wel of niet deel hebben aan het Koninkrijk. Wel of niet het Beloofde Land binnengaan.

In het vorige artikel had ik al een mogelijke invulling gegeven van de vlammen waarin de rijke man zich bevindt. Het wijst waarschijnlijk op de verdrukking en benauwdheid waar het volk al bijna tweeduizend jaar in verkeert. In de geografische context die we nu bekijken zit nog een mogelijke heenwijzing. Want toen Abraham en Lot hun wegen scheidden, bleef Abraham wonen in het land ten westen van de Jordaan, het land Kanaän. Lot koos het groene land bij de Jordaanvallei (in de kloof), en ging wonen in de beruchte stad Sodom. Je weet wel, de stad die, samen met Gomorra, door vuur en zwavel werd verwoest. De stad waarvan Judas nog schreef dat het (getuigenis van het) vuur tot op die dag zichtbaar was (Judas 1:7).

[Waar Sodom en Gomorra precies gelegen hebben is onduidelijk. Maar gezien de symbolische betekenis van de Jordaan, zou het me niet verbazen als ontdekt wordt dat de steden aan de overkant van de rivier lagen. Buiten het land van de belofte.]

Hoe dan ook, het vuur wijst in ieder geval niet op de mythische hel in de onderwereld, maar op oordeel en gericht in deze wereld.

Ik had al opgemerkt dat er wat aan de hand was met de dorst van de rijke. Hij had dorst in het dodenrijk, dus terwijl het volk in hades was, ten onder gegaan in de volkerenwereld. Het water wees op de woorden van God, bij monde van de Messias Jezus. In het spoor dat we nu bezien, dat de rijke figuur staat voor het volk, is dat heel goed te begrijpen. Ik kan het niet mooier zeggen dan de apostel Paulus:

Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard, gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. – Rom. 11:7,8

Het volk verwierp de Messias. Slechts een enkeling werd behouden en de rest zou niet (kunnen) horen. De meeste mensen zouden niet luisteren naar de woorden van hun Verlosser. Ze zouden niet drinken al smachtten ze naar water. Ze hadden dorst.

Ook over het woord voor pijnigen was nog het een en ander te zeggen, schreef ik de vorige keer. Het Griekse woord achter ‘pijnigen’ is basanos. Dit woord houdt verband met de wijze waarop vroeger werd getoetst of een edelmetaal zuiver was. Door het langs een toetssteen te wrijven werd de kwaliteit van het metaal bepaald. Een hevige maar begrensde beproeving die bepaalt wat je waard bent, zeg maar. Beslist geen vurige foltering zonder einde. Dat het niet kan wijzen op de kwelling van het hete hellevuur blijkt ook uit Mar. 6:48, waar het woord toegepast wordt op de discipelen, en uit Mat. 14:24, waar een levenloze boot beproefd wordt.

Dus toegepast op de rijke man, het volk Israël, kunnen we zeggen dat deze periode voor het aanbreken van het Koninkrijk niet zomaar een pijniging is, maar een beproeving. Een nationale loutering. Waartoe? Nood leert bidden, luidt de volkswijsheid. Het Joodse volk heeft zich geoefend in het systematisch ontwijken van de godsnaam. De naam waarvan ze weten dat hij redding brengt (Joel 2:32). De verdrukking en benauwdheid die geweest is was onvoorstelbaar hevig, maar we weten uit de bijbel dat het nog erger zal worden. Zo erg dat het volk niet anders meer kan dan de naam aanroepen. De naam van hun Heiland, hun Redder. In hun nood zullen ze bidden. En Hij zal antwoorden.

We hebben nu de hele gelijkenis behandeld, behalve de laatste vijf verzen. En juist die laatste woorden dringen mijns inziens tot nog een derde visie. Tot dusver heb ik de twee verschillende visies apart behandeld omwille van het onderscheid, maar ergens zijn ze beide waar. Juist de samenstelling dekt de hele lading. Ik zal je laten zien waarom. Maar laat ik eerst de bewuste verzen nog eens weergeven.

Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. – Luk. 16:27-31

De ernstige waarschuwing, de iemand-uit-de-doden en het niet laten gezeggen hebben nog geen betekenis gekregen. En de vijf broers wezen dan wel naar Juda, maar wie zijn de heren zelf? Als Juda voor heel het volk figureert, waarom tekent Jezus hem dan bezorgd over zijn broers? Wordt met de rijke dan toch niet het hele volk bedoeld? Wijst hij toch voornamelijk naar de vrome voormannen? Toen de rijke stierf leek er nog hoop voor zijn familie. Hij was gedoemd (vergelijk Mat. 3:7 | Mat. 23:33), maar er waren nog mensen in het huis van zijn vader. Iemand moest hen waarschuwen, iemand-uit-de-doden.

Die iemand-uit-de-doden is Lazarus. Hij zou levend moeten worden, vond de rijke. Of anders gezegd: hij zou tot geloof moeten komen en de overigen van het volk moeten waarschuwen. Wel, wanneer zijn de heidenen levend geworden en hebben zij tot het Joodse volk getuigd, terwijl er nog mensen in het huis van de vader waren? Lees het boek Handelingen. Dat staat vol van ernstige waarschuwingen aan het adres van het volk. Ook door heidenen die tot geloof waren gekomen. Maar alle aansporingen ten spijt, wat was de reactie van de meerderheid van de natie? Precies wat Jezus in de gelijkenis al liet doorschemeren. Ze lieten zich niet gezeggen door iemand-uit-de-doden. Ook opgestane (lees: bekeerde) heidenen brachten hen niet tot inkeer. Zij schuwden de waarheid. Zij zouden hun rijke broer volgen in hades. Heel het volk zou uiteindelijk ten onder gaan.

Zo, hier heb je het. Dit is alles wat ik begrijp omtrent de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Het gaat niet om hemel en hel in het leven na de dood, maar om binnen en buiten in het leven na de droogte, zeg maar. Wel of niet welkom in het land over de Jordaan, aan het einde van de woestijnreis. Zoals eens onder leiding van Jozua slechts een klein deel van het uitgeroepen volk mocht binnengaan, zo zal het weer zijn bij het aanbreken van het Koninkrijk. Velen van het uitverkoren volk zullen worden geweerd. Buitengeworpen, zoals eens de knecht Eliëzer. De heidenen, lange tijd niet inbegrepen in de beloften aan Abraham, zullen dan wel mogen meedoen. Zij mogen aanliggen bij Abraham, en delen in de rijkdommen van de belofte.

Maar zelfs aan het einde van de rit zijn er losse eindjes. Niet alles past perfect. Want als de dorst van de rijke wijst op de huidige hardhorendheid van de natie, hoe wijst dan de boezem van Abraham op het komende Koninkrijk? Misschien wijst het op de huidige rijkdom van de belofte van het Koninkrijk, zoals de belofte tot de rijkdom van Israël werd gerekend (Rom. 9:4,5). Zie bijvoorbeeld Gal. 3:7 waar zij die geloven nu al kinderen van Abraham worden genoemd. En geloof, zo weten we, is vertrouwen op de woorden van God, waarvan veel nog voor ons ligt – beloofd maar nog niet verkregen (Heb. 11).

Hoe dan ook, de gelijkenis is buitengewoon betekenisvol. Een wijds panorama dringt zich aan je op, wanneer je de woorden laat wijzen naar het volk. De andere gelijkenissen en voorzeggingen resoneren in akkoord in een overweldigend vergezicht. Een doorkijk in het Grote Plan, de geschiedenis in wording.

Het zou je kunnen beangstigen, de dingen die nog komen. Maar bekijk het eens van deze kant: we liggen nog op koers. Duizenden jaren tevoren schilderde God op diverse doeken de horizon van straks. Hij trok de contouren, Hij kleurde de karakters en Hij omlijstte het geheel. Dus Hij staat aan het roer en stuurt ons door de nacht. Dat geeft rust, nietwaar? Met dat besef kun je op de achtersteven slapen, midden in de storm (Mar. 4:38).